Bezwaren box III splitsen in individueel en collectief deel; rechtsonzekerheid troef

Datum: 10 september 2020

X beschikte op 1 januari 2017 over een spaarsaldo van € 207.304. De daarover verschuldigde IB 2017 bedroeg € 2.126. X maakte bezwaar tegen de box III-heffing. De inspecteur splitste het bezwaar in twee delen. Voor het eerste deel dat zag op de box III-heffing op stelselniveau gold volgens de inspecteur de aanwijzing massaal bezwaar en hield dit deel aan. Op het tweede deel dat zag op de individuele buitensporige last deed de inspecteur wel uitspraak, en verklaarde dat ongegrond. X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat de zaak in volle omvang moest worden beoordeeld om vast te stellen of de aanslag juist was. De rechter ontkwam er niet aan om ook de stellingen te behandelen die in de massale bezwaarprocedure aan de orde waren. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de rendementsheffing voor 2017 op stelselniveau niet in strijd was met artikel 1 EP, en van een individuele buitensporige last was volgens de Rechtbank ook geen sprake. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond. Wel merkte de Rechtbank nog op dat de huidige ontwikkelingen bij deze massaalbezwaaraanwijzing tot praktische problemen en rechtsonzekerheid blijken te leiden. Volgens de inspecteur valt een bezwaar namelijk niet langer onder de massaalbezwaarprocedure zodra in de eigen zaak een rechterlijk oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van box III op stelselniveau. In elke individuele zaak met zo’n oordeel moet de belastingplichtige dan in hoger beroep en/of cassatie om zijn rechten veilig te stellen. Volgens de Rechtbank is dan ook te verwachten dat de rechtspraak nodeloos wordt belast met rechtszaken en ontbreekt het op dit punt aan een voldoende duidelijk wettelijk kader.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020