DGA veroordeeld tot 100 uur taakstraf voor geschatte BTW-aangiften BV’s

Datum: 10 september 2020

X was directeur en enig aandeelhouder van BV A en via deze vennootschap ook enig aandeelhouder van BV B. De BV’s vormden een fiscale eenheid (f.e.) voor de BTW. De Belastingdienst constateerde in 2011 dat de f.e. te weinig BTW had aangegeven en stelde vervolgens een boekenonderzoek in. X verklaarde toen dat zijn administratieve werkzaamheden bestonden uit het opmaken van verkoopfacturen en het verzamelen van inkoopfacturen, en boekhoudkantoor D de BTW-aangiften deed. Het OM besloot X strafrechtelijk te vervolgen voor het indienen van onjuiste BTW-aangiften. De strafkamer van Rechtbank Amsterdam veroordeelde X tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. X ging in hoger beroep. Een medewerker van D verklaarde bij de strafkamer van Hof Amsterdam dat zij sporadisch administratie van X ontving en daarom de BTW-aangiften op basis van schattingen deed. Als zij pas véél later wel de benodigde administratie ontving, trok zij het verschil tussen de aangiften op basis van stelposten/schattingen en de daadwerkelijke administratie recht met suppletieaangiften. Na het indienen daarvan, gaf zij X een kopie. Bij een doorzoeking van het woonhuis van X waren tientallen aan X geadresseerde, maar ongeopende enveloppen van D aangetroffen. In totaal was € 101.600 te weinig aan BTW aangegeven. Het Hof besliste dat X vol opzet had op het indienen van onjuiste aangiften en ten minste voorwaardelijk opzet op het indienen van te lage aangiften. X beschikte namelijk over de facturen en hij wist hoeveel BTW hij bij zijn opdrachtgevers in rekening had gebracht, en dat hij tijdig BTW had moeten aangeven en voldoen. Dat X de aan hem als bestuurder van de BV’s gerichte post met kopieën van de aangiften niet opende, disculpeerde hem niet: niet ten opzichte van zijn boekhouder en zéker niet ten opzichte van de Belastingdienst. Het Hof verwierp ook het verweer van X dat hij niet wist dat het werken met stelposten/schattingen strafbaar was en dat zijn belastingadviseur hem had gezegd dat het later redresseren van de maandelijkse aangiften mogelijk/gebruikelijk was. Een systeem waarin een belastingplichtige maandelijks naar eigen goeddunken een opgave zou mogen doen van zijn verschuldigde BTW en daarbij willekeurige bedragen zou mogen invullen voor zijn gerealiseerde omzet en willekeurig voorbelasting zou mogen terugvragen, was niet voor te stellen. Het maandelijks indienen van BTW-aangiften diende een doel, namelijk het informeren van de Belastingdienst. Dat dit naar waarheid moest geschieden, sprak volgens het Hof voor zich. Het opzettelijk onjuist doen van de BTW-aangfiten kon aan de BV’s worden toegerekend en X had daaraan feitelijk leiding gegeven. Anders dan de Rechtbank besloot het Hof X niet te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit het dossier was op geen enkele wijze gebleken dat sprake was geweest van zwarte inkomsten of een bij X bestaande bedoeling de op de facturen in rekening gebrachte BTW uiteindelijk niet via het systeem van suppletieaangiften aan de Belastingdienst af te dragen. Het Hof veroordeelde X daarom tot een taakstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020