Prejudiciële vragen over BTW-aftrek bij mining van bitcoins

Datum: 11 augustus 2020

Vof X hield zich bezig met het verifiëren en authentiseren van transacties in de cryptovaluta bitcoin en het realiseren van zogenoemde blokken binnen de bitcoin-blockchain (mining-activiteiten). De blockchain was een digitaal grootboek waarin alle transacties in bitcoins werden bijgehouden. Ten behoeve van de mining-activiteiten stelde X computerrekenkracht ter beschikking. Daarvoor kreeg X twee soorten vergoedingen: een blockreward en een transaction-fee. Aan het verifiëren en authentiseren was niet altijd een vergoeding verbonden. Over het algemeen probeerden meerdere personen tegelijkertijd een bepaald blok te realiseren. De vergoedingen werden toegekend op winner-takes-all basis: degene die als eerste een blok realiseerde, kreeg zowel de volledige blockreward als alle transaction-fees ter zake van het betreffende blok; de anderen kregen niets. Voor de uitvoering van de mining-activiteiten was X aangesloten bij een samenwerkingsverband (de pool). Als een deelnemer aan de pool een blok realiseerde en dus een vergoeding kreeg, werd deze vergoeding verdeeld over alle deelnemers aan de pool. X claimde aftrek van voorbelasting met betrekking tot de aan haar in 2014 en 2015 in rekening gebrachte BTW over de aanschaf van computer- en koelapparatuur en over de elektriciteit die nodig was om deze apparatuur te laten werken. Volgens X was de aan haar in rekening gebrachte BTW voor 98% aftrekbaar, omdat uit algemene statistische gegevens volgde dat 98% van de handel in bitcoins buiten de EU plaatsvond. De inspecteur weigerde de BTW-aftrek. Hij zag wel in dat het voor X nagenoeg onmogelijk was om aannemelijk te maken dat de afnemers van haar diensten buiten de EU waren gevestigd, maar statistische gegevens waren volgens hem onvoldoende om uit te gaan van een situatie als bedoeld in artikel 15, lid 2, onderdeel c, Wet OB. X ging in beroep. Rechtbank Den Haag stelde voorop dat door het anonieme karakter van de transacties een bewijsprobleem ontstond, om omdat het niet redelijkerwijs mogelijk was de precieze afnemers van de diensten te lokaliseren. Voor andere diensten waarbij een dergelijk bewijsprobleem dreigde, waren op Europees niveau handvatten aangereikt: voor onder meer telecommunicatiediensten, omroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten was het vermoeden van de plaats waar de afnemer was gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats had voldoende. Voor reisbureaus was het percentage van in rekening gebrachte BTW dat in aftrek mocht worden gebracht, bepaald aan de hand van algemene gegevens. De Rechtbank heeft daarom de Hoge Raad om een prejudiciële beslissing gevraagd. Zij wil weten of artikel 15, lid 2, onderdeel c, Wet zo ruim worden geïnterpreteerd dat, in geval van ernstige en reële bewijsnood, met een vermoeden of met algemene statistische gegevens kan worden onderbouwd dat de ontvanger van een dienst buiten de Gemeenschap is gevestigd. En als dat zo is, vraagt de Rechtbank of algemene statistische gegevens over de handel in bitcoins mogen worden gebruikt ter onderbouwing van de plaats van vestiging van de afnemers van mining-activiteiten terwijl de handel in bitcoins niet hetzelfde is als de mining-activiteiten die door BV X worden verricht. De Rechtbank hield iedere verdere beslissing aan totdat de Hoge Raad de vragen heeft beantwoord.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020