Latere inkeer verhinderde dwanginvordering KB Lux-navorderingen niet

Datum: 6 augustus 2020

Nadat X was geïdentificeerd als houder van niet eerder opgegeven bankrekeningen bij de KBL in Luxemburg, vroeg de Belastingdienst hem verschillende malen om die tegoeden alsnog op te geven. X deed dat niet, waarna de inspecteur navorderingsaanslagen IB/VB oplegde over 1990-2000. X procedeerde vervolgens tot tweemaal toe tot en met de Hoge Raad. Daarna verstrekte X alsnog informatie over de KBL-tegoeden over de 1996-2012 en verzocht hij om ambtshalve vermindering omdat de werkelijke tegoeden bij KBL lager waren dan de schattingen van de inspecteur. De inspecteur wees dit af en de ontvanger vaardigde vervolgens dwangbevelen uit voor de invordering. X ging in verzet en stelde dat de aanslagen op grond van artikel 17, lid 3, IW buiten invordering moesten worden gesteld voor zover zij betrekking hadden op méér dan de werkelijke c.q. materieel verschuldigde bedragen. De civiele kamer van Rechtbank Limburg wees het verzet af. In artikel 17, lid 3, IW was uitdrukkelijk opgenomen dat in verzet niet kon worden geageerd tegen de juistheid of hoogte van de onderliggende aanslag, tenzij de tenuitvoerlegging van het dwangbevel strijd opleverde met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit kon het geval zijn bij een dwangbevel waarbij de belastingaanslag weliswaar in formele zin op de juiste wijze was vastgesteld, maar ten aanzien waarvan op zijn minst twijfel mogelijk was of die aanslag in overeenstemming was met de materiële belastingschuld. Uit de wetsgeschiedenis bleek dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mocht worden afgeweken van de hoofdregel. Voor ingrijpen door de civiele rechter was op basis van de rechtspraak pas ruimte als de inspecteur die de aanslag had opgelegd in redelijkheid niet tot de desbetreffende oplegging had kunnen komen. Daarbij was het niet voldoende dat op zijn minst twijfel mogelijk was, maar moest er ook sprake zijn van andere, bijkomende omstandigheden die maakten dat de tenuitvoerlegging in strijd kwam met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarvan was volgens de civiele rechter echter geen sprake. X had over 1990-2003 uitputtend rechtsmiddelen aangewend, zodat de navorderingsaanslagen wat de hoogte betreft formele rechtskracht hadden en als zodanig als rechtmatig uitgangspunt mochten en konden dienen voor de invordering. De latere inkeer waaruit bleek dat de schatting van de inspecteur te hoog zou zijn geweest, was volgens de Rechtbank evident geen andere, bijkomende omstandigheid. Nog afgezien van de vraag óf achteraf de daadwerkelijk verschuldigde belasting correct kon worden vastgesteld, stond volgens de Rechtbank vast dat X jarenlang had gelogen over zijn buitenlandse bankrekeningen. Hij had niet alleen valse aangiften gedaan, maar had ook tijdens de fiscale procedures feiten achtergehouden. De eigen proceshouding stond eraan in de weg dat geconcludeerd moest worden dat de ontvanger niet in redelijkheid tot inning van de dwangbevelen mocht overgaan. De informatieverschaffing was simpelweg te laat. Honorering van het standpunt van X zou volgens de Rechtbank met zich brengen dat hij meedeed aan een "loterij zonder nieten", en dat was niet acceptabel.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020