Lening aan eigen BV onzakelijk omdat bank alle zekerheden had genomen

Datum: 31 juli 2020

In maart 2005 verstrekte X een lening van € 400.000 aan BV A waarvan hij de enig aandeelhouder was. Deze lening was bedoeld om een deel van de aankoop van een pand te financieren dat X en BV A op 29 maart 2005 gezamenlijk hadden gekocht voor € 2.142.000. De rest van de koopsom financierde BV A met een lening van de bank van € 2 mln. BV A loste vervolgens niet af op de lening die X had verstrekt, waarna X in zijn aangifte IB 2012 de lening afwaardeerde tot nihil. De inspecteur accepteerde het afwaarderingsverlies van € 400.000 echter niet, omdat de lening volgens hem niet zakelijk was geweest. X ging in beroep. Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van X ongegrond. X ging in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde voorop dat X en de inspecteur het erover eens waren dat de lening niet als kapitaalverstrekking kon worden aangemerkt. Het Hof besliste dat in de leningsovereenkomst ter zekerheid voor de terugbetaling een hypotheekverklaring was opgenomen die betrekking had op het bedrijfsgedeelte van het pand waarvan BV A eigenaar was. Uit de zakelijke kredietovereenkomst bleek dat op het gehele bedrijfspand – dus met inbegrip van het privégedeelte waarvan X de eigendom had – een krediethypotheek rustte van € 2,5 mln. Deze strekte tot zekerheid voor een terugbetaling van het zakelijke krediet aan de bank. Het Hof besliste dat aan de hypotheekverklaring als zekerheid voor de terugbetaling van de geldlening geen reële betekenis moest worden toegekend en dat BV A in materieel opzicht geen zekerheden had verstrekt op grond waarvan terugbetaling van de lening was gewaarborgd. Daarnaast had X zijn vordering op BV A achtergesteld ten opzichte van de vordering op de bank en de bank had die achterstelling als voorwaarde voor het verstrekken van het zakelijk krediet gesteld. Verder hadden X en BV A geen aflossingsschema opgesteld. Dit alles leidde er volgens het Hof toe dat terugbetaling van de lening niet was gewaarborgd. Het Hof besliste dat dat op zichzelf niet betekende dat de lening onzakelijk was. Het Hof was het echter met de inspecteur eens dat de bereidheid van de bank om een zakelijk krediet te verstrekken was gelegen in de overeengekomen formele zekerheden en niet zozeer in de veronderstelde en verder niet onderbouwde positieve financiële ontwikkelingen bij BV A. Bovendien bleven er bij de omvang van de zekerheden voor de bank voor X materieel geen zekerheden over. Het Hof besliste dat het aannemelijk was dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn geweest dezelfde lening aan BV A te verstrekken onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden en dat daarvoor geen "arm’s length-rente" kon worden bepaald. In dat geval moest ervan worden uitgegaan dat X met het verstrekken van de lening risico had aanvaard met de bedoeling het belang van BV A in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. X kon de vordering niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden afwaarderen. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.