Lagere marktrente dan fiscale rekenrente geen reden voor actuariële waardering pensioen

Datum: 29 juli 2020

A hield alle aandelen in BV X die op haar beurt enig aandeelhouder was van BV B en daarmee een f.e. voor de Vpb vormde. BV B had een pensioenverplichting aan A en diens echtgenote waarvan de verplichting tot uitkering op 1 januari 2014 was ingegaan. BV X diende nadat over 2014 een ambtshalve aanslag Vpb was opgelegd een aangifte in waarin zij de pensioenverplichting per 31 december 2014 waardeerde met een rekenrente van 4%. Volgens BV X mocht de pensioenverplichting ook naar actuariële maatstaven worden gewaardeerd en hoefde niet per se te worden gewaardeerd naar de fiscale maatstaven van artikel 3.29 Wet IB 2001 en artikel 8, lid 6, Wet Vpb. Als de pensioenverplichting wel naar fiscale maatstaven moest worden gewaardeerd, was deze waardering volgens BV X in strijd met artikel 1 EP EVRM. De inspecteur was het hiermee niet eens en legde een navorderingsaanslag op. BV X ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van BV X ongegrond. De Rechtbank wees op een arrest van 16 oktober 2015 waarin de Hoge Raad had beslist dat de wetgever had voorzien en aanvaard dat de toepassing van het in artikel 3.29 Wet IB 2001 vermelde percentage van 4 er onder omstandigheden toe leidde dat de jaarlijkse dotatie aan een voorziening voor een toegezegd pensioen lager was dan deze volgens goed-koopmansgebruik met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen zou moeten zijn. Van een schending van artikel 1 EP EVRM was ook geen sprake. BV X ging in hoger beroep en herhaalde dat de renteontwikkeling in de jaren ná 2005, waarop het arrest van 16 oktober 2015 betrekking had, voor de wetgever aanleiding had moeten zijn om de discontofactor van artikel 3.29 Wet IB 2001 te wijzigen. Hof Amsterdam stelde eerst vast dat BV X de pensioenverplichting per 31 december 2013, in strijd met artikel 3.29 Wet IB 2001, niet met inachtneming van een rekenrente van 4% had gewaardeerd. Deze fout had zij hersteld in haar aangifte Vpb 2014 door de verplichting per 31 december 2014 alsnog en conform de jaarrekening 2014 met inachtneming van een rekenrente van 4% te waarderen. Volgens het Hof had de Rechtbank ter zake van de toepassing van artikel 3.29 Wet IB 2001 een juiste beslissing genomen. Dit betekende dat een fout in de waardering van een balanspost op de balans van 31 december 2013 met toepassing van de foutenleer in 2014 werd gecorrigeerd. De pensioenverplichting moest per 31 december 2014 € 609.431 lager worden gewaardeerd dan zonder herstel van de fout het geval zou zijn geweest. Het Hof besliste vervolgens dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 3.29 Wet IB 2001 kon worden afgeleid dat het in de wet op 4% stellen van de bij de waardering van een pensioenverplichting in aanmerking te nemen rekenrente was terug te voeren op het streven daarover duidelijkheid te verschaffen. Uit een uitsluitend op actuariële grondslagen gebaseerde waardering zou niet zonder meer zijn af te leiden welke rekenrente in aanmerking zou zijn te nemen. Het Hof besliste ten aanzien van de stelling van BV X over artikel 1 EP dat, met het in aanmerking nemen van de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever had, de "fair balance" tussen het middel van artikel 3.29 Wet IB 2001 en het daarmee te dienen doel niet was overschreden. De wettelijke rente was bedoeld om voor een lange periode te gelden, waarbij in aanmerking moest worden genomen dat de wettelijk vastgestelde rekenrente sinds de inwerkingtreding van artikel 9b Wet IB 1964 op 1 januari 1995 had gegolden; over destijds geldende actuariële rekenrenten waren door BV X overigens geen gegevens verstrekt. Het Hof concludeerde dat artikel 3.29 Wet IB 2001 geen schending inhield van artikel 1 EP. Als het wel zo zou zijn dan kon het Hof daar in dit geval geen consequenties aan verbinden omdat de wetgever met de op 1 januari 2017 in werking getreden Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen een gefaciliteerde beëindiging van in eigen beheer gehouden pensioenvoorzieningen mogelijk had gemaakt. Er was volgens het Hof ook geen sprake van een individuele en buitensporige last. Die zou overigens ook niet aanwezig zijn als de werking van artikel 3.29 Wet IB 2001 alleen zou worden gerelateerd aan het vermogen van de pensioen-BV. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.