Contrabassist-vervanger in orkest geen zelfstandige

Datum: 27 juli 2020

Mevrouw X was sinds 1 april 2003 in dienstbetrekking werkzaam als contrabassist bij het "Holland Symfonia". In 2012 leidde een reorganisatie van Holland Symfonia tot gedwongen ontslagen van een groot aantal orkestmusici, onder wie mevrouw X. Haar arbeidsovereenkomst werd met ingang van 1 januari 2013 beëindigd en zij werd voortaan ingezet als remplaçant. Mevrouw X kon alleen als zelfstandige of via een payrollbedrijf werken voor het orkest. Zij stond daarom vanaf 16 januari 2013 als zelfstandige ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Vanaf het seizoen 2014/2015 werd Holland Symfonia voortgezet onder de naam Het Balletorkest. Vanaf 2014 stuurde Het Balletorkest aan mevrouw X opdrachtbevestigingen en financiële overzichten met de productie(s) waaraan zij als remplaçant deelnam, de repetitie- en concertdata en het honorarium (conform de tarieven in de CAO Remplaçanten Nederlandse Orkesten). De remplaçantenwerkzaamheden factureerde mevrouw X als ZZP’er of werden via een payrollbedrijf aan haar betaald. Na een verschil van mening over haar functioneren, kreeg mevrouw X in juni 2018 van het Balletorkest bericht dat zij niet meer zou worden uitgenodigd om in het orkest te musiceren. Zij spande daarna een procedure aan en vorderde een verklaring voor recht dat zij vanaf 31 juli 2017 werkzaam was bij, ofwel Het Balletorkest, ofwel de Stichting Remplacanten op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De civiele kamer van Rechtbank Amsterdam besliste dat mevrouw X niet de vrijheid en flexibiliteit had om haar werk zelf in te delen, wat juist kenmerkend was voor het werken als zelfstandige in opdracht. Mevrouw X moest zich houden aan nauwkeurige voorschriften en aanwijzingen zoals onder meer de vaste tijdstippen voor repetities, optredens en concerten, kledingvoorschriften en de stoelenindeling binnen de groep contrabassisten. De manier waarop zij moest musiceren werd bepaald door de muzikale leiding van Het Balletorkest. Dit alles duidde volgens de Rechtbank op arbeidsrechtelijke ondergeschiktheid die op de persoon van de werknemer was gericht in plaats van op de opdracht zelf. Er was sprake van een relatie tussen Het Balletorkest en mevrouw X die verder strekte dan het enkele verrichten van werkzaamheden door mevrouw X als opdrachtnemer. De Rechtbank besliste dat sprake was van het verrichten van arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.