Streep door op potjeslatijn gebaseerde navorderingen

Datum: 27 juli 2020

X was vader van drie kinderen, een kind uit 2001 en een tweeling uit 2003. De kinderen stonden ingeschreven op het adres van zijn beide ex-partners. De moeder van de tweeling had in 2018 toegestemd met de erkenning van de kinderen door X. In de aangiften IB 2012 tot en met 2014 claimde X steeds de inkomensafhankelijke combi-natiekorting (IACK) en een aftrekpost voor levensonderhoud van de kinderen. De aanslagen waren conform de aangiften opgelegd. Toen uit een onderzoek naar de gemachtigde van X bleek dat in veel aangiften van het kantoor van de gemachtigde (A) onjuiste aftrekposten in aftrek waren gebracht, legde de inspecteur aan X navorderingsaanslagen over 2012 tot en met 2014 op omdat volgens hem geen recht bestond op de IACK en voor de tweeling geen recht bestond op aftrek van levensonderhoud. X ging in beroep en stelde primair dat sprake was van een navordering verhinderend ambtelijk verzuim omdat de aangiften waren opgelegd terwijl het onderzoek tegen A liep. Rechtbank Den Haag besliste dat voor de jaren 2012 en 2013 geen sprake was van een ambtelijk verzuim omdat de aangiften van X over die jaren een verzorgde indruk maakten en de aangiften ingediend door het kantoor van A pas vanaf april 2015 aan een verscherpt onderzoek waren onderworpen. Voor het jaar 2014 was volgens de Rechtbank wél sprake van een ambtelijk verzuim omdat de inspecteur de keuze had gemaakt de aangifte van X niet nader te onderzoeken. X ging in hoger beroep tegen de jaren 2012 en 2013 en de inspecteur tegen 2014. Hof Den Haag stelde voorop dat het optreden van de inspecteur was gebaseerd op een voor buitenstaanders volstrekt ondoorzichtige en niet-controleerbare analyse met niet-eenvoudig te doorgronden of te achterhalen grootheden. Als rechtvaardiging van de correcties had de inspecteur gebruik gemaakt van allerlei bepalende begrippen die de vergelijking van het spreekwoordelijke potjeslatijn in beeld brachten, nog daargelaten dat de correcties niet rechtstreeks volgden uit de aanleiding voor het door de inspecteur ingestelde onderzoek. Het Hof overwoog dat hij zacht uitgedrukt in het geheel niet gecharmeerd was van zo’n aanpak om tot deze correcties te komen. Het Hof vond ook van belang dat het strafrechtelijk onderzoek naar de handelwijze van A, volgens A binnen niet al te lange tijd door het OM zou leiden tot een sepot. Het Hof besliste inhoudelijk dat X voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij terecht de kosten voor het levensonderhoud van de kinderen en de IACK had opgevoerd in de aangiften. Het Hof volgde de aangiften en veroordeelde de inspecteur tot een proceskostenvergoeding van € 9.441.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.