Schadevergoeding voor mislukte aandelenovername niet onder deelnemingsvrijstelling

Datum: 10 juli 2020

BV X was internationaal actief in de verzekeringsbranche. In 1999 verwierf zij samen met haar consortiumpartner Big Bank Gdanski (BBG) als "strategisch partner" 30% van de aandelen in de Poolse staatsmaatschappij A die een groot aandeel had in de Poolse verzekeringsmarkt. In dat jaar had de Poolse ministerraad besloten om A in twee fasen te privatiseren. BV X verkreeg uiteindelijk een 33%-belang in A, met bijzondere zeggenschapsrechten. In april 2001 werd overeengekomen dat BV X nog eens 21% van de aandelen in A zou kunnen verwerven, maar dit ging niet door omdat het Poolse privatiseringsbeleid in oktober 2001 wijzigde. Na een arbitrageprocedure sloot BV X een Settlement and Divestment Agreement (SDA) met Polen. BV X ontving in 2009 voor het afstand doen van haar rechten op het 21%-aandelenpakket bijna € 1,2 mld en verkocht haar 33%-aandelenpakket voor circa € 2,8 mld. In haar aangifte Vpb 2009 claimde BV X ook de deelnemingsvrijstelling voor € 1.161.953.856. Rechtbank Gelderland besliste dat de vergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling viel. BV X ging in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat € 248.468.120 onder de deelnemingsvrijstelling viel omdat dit bedrag (1) was aan te merken als compensatie dat BV X genoegen had moeten nemen met een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer van de aandelen en (2) deze compensatie betrekking had op het verlies van de zeggenschapsrechten. Voor het overige viel de vergoeding volgens het Hof niet onder de deelnemingsvrijstelling omdat de aanspraak van BV X op het niet-verworven 21%-pakket geen afgesplitst belang was dat vergelijkbaar was met een optie in de zin van de Falcons-rechtspraak en ook (nog) geen recht op levering van dat pakket bestond. BV X ging in cassatie. De Hoge Raad wees op zijn arrest "Kazachstaans voorkeursrecht" van 23 september 2016 en besliste dat dat ook betekende dat in de precontractuele fase van een beoogde aankoop van een aandelenpakket nog geen sprake kon zijn van een deelneming, ook niet als de onderhandelingen in een zodanig stadium waren geraakt dat partijen zich niet zonder meer daaruit konden terugtrekken. Een aandelenpakket kon ook niet als bedrijfsmiddel aan te merken deelneming vormen wanneer al wél een overeenkomst was gesloten die de wederpartij verplichtte tot levering van de desbetreffende aandelen, maar waarbij die verplichting tot levering afhankelijk was van een opschortende voorwaarde, en daarom pas onvoorwaardelijk werd als een of meer onzekere, buiten de macht van de belastingplichtige gelegen toekomstige gebeurtenissen hadden plaatsgevonden. In dat geval had de belastingplichtige namelijk nog geen afdwingbaar recht op levering verkregen, waarbij niet ter zake deed of dit met zoveel woorden in de desbetreffende overeenkomst was voorzien of dat het voortvloeide uit een algemeen verbindend voorschrift. Op dezelfde manier kon volgens de Hoge Raad ook niet (meer) van een als bedrijfsmiddel aan te merken deelneming worden gesproken als de overeengekomen (onvoorwaardelijke) verplichting tot levering van een pakket aandelen aan de belastingplichtige feitelijk of rechtens onuitvoerbaar was (geworden) ten gevolge van een of meer buiten de macht van de belastingplichtige gelegen omstandigheden. In al deze gevallen was doorslaggevend of de belastingplichtige aan de met de verkoper van de aandelen gesloten overeenkomst een onvoorwaardelijk, feitelijk en rechtens afdwingbaar recht op levering van de desbetreffende aandelen ontleende. Dit gold volgens de Hoge Raad ook met betrekking tot de te verwerven aandelen in een vennootschap waarin de belastingplichtige al een deelneming had. Als de beoogde verwerving door de belastingplichtige van een aandelenpakket uiteindelijk niet doorging, kon de wederpartij een schadevergoeding worden verschuldigd. Als op dát moment die aandelen geen deelneming van de belastingplichtige vormden of tot een al bestaande deelneming gingen behoren, viel deze schadevergoeding bij hem dus niet onder de deelnemingsvrijstelling. Het Hof was niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, en zijn uitspraak was volgens de Hoge Raad ook niet onvoldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.