Aftrekbeperking van € 5.000 voor meewerkende partner volgens A-G Niessen verboden discriminatie

Datum: 10 juli 2020

X dreef samen met zijn echtgenote Y een onderneming op het gebied van het acquireren en (her)redigeren van manuscripten van boeken. X betaalde echtgenote Y jaarlijks € 1.500 voor haar werkzaamheden die enkele uren per week of per maand in beslag namen. In zijn aangiften IB 2014, 2015 en 2016 claimde hij aftrek van de aan haar betaalde vergoeding. Volgens X ging het om een vrijwilligersvergoeding als bedoeld in artikel 2, lid 6, Wet LB. Hof Den Haag was dat net als Rechtbank Den Haag niet met X eens. Op grond van artikel 3.16, lid 4, Wet IB 2001 waren kosten en lasten die verband hielden met vergoeding van arbeid door de partner van de belastingplichtige niet aftrekbaar van de winst als de vergoeding lager was dan € 5.000. Daarbij was niet van belang of de vergoeding een vrijwilligersvergoeding was. X ging in cassatie. A-G Niessen heeft naar aanleiding daarvan een conclusie uitgebracht. De A-G onderscheidde twee aspecten in de klacht, namelijk (1) de vraag of de echtgenote als meewerkende partner werd gediscrimineerd door niet onder toepassing van de vrijwilligersregeling voor de onderneming van de ondernemende partner te kunnen werken en (2) de vraag of de aftrekbeperking van artikel 3.16, lid 4, Wet IB 2001 discriminerend was voor de ondernemende partner (X). Met betrekking tot de eerste vraag overwoog hij dat niet kon worden gezegd dat de echtgenote in de belastingwet ongunstiger werd behandeld dan een vrijwilliger, omdat in beide situaties een vrijstelling werd genoten voor de ontvangen vergoeding. Met betrekking tot de tweede vraag concludeerde de A-G dat door de niet-aftrekbaarheid als bedrijfslast van de vergoeding van door de partner verrichte arbeid door de ondernemer als deze lager was dan € 5.000 sprake was van discriminatie, omdat dit niet gold voor vergoedingen aan elke andere persoon. Dit was volgens hem een ontoelaatbare ongelijke behandeling van gehuwde belastingplichtigen waarvoor de Hoge Raad rechtsherstel kon bieden door het fiscale nadeel dat de partners per saldo ondervonden van de aftrekuitsluiting, te redresseren door het in mindering te brengen op de aanslag IB/PVV voor de belanghebbende. De A-G adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep van X gegrond te verklaren en de zaak voor een becijfering te verwijzen naar een ander Hof.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.