Navordering na foute verliescompensatievolgorde van tafel

Datum: 9 juli 2020

De inspecteur corrigeerde de aangifte Vpb 2014 van BV X waarin een verlies was aangegeven van € 265.696 met € 480.600 naar een belastbaar bedrag van € 214.904 in verband met een voorziening wegens vermoedelijke oninbaarheid van een door BV X verstrekte lening. Na bezwaar van BV X, verminderde de inspecteur de aanslag over 2014 in verband met verrekening van een over 2015 geleden verlies van € 108.512, waarna over 2014 een belastbaar bedrag van € 106.392 resteerde. Daarna legde de inspecteur over 2015 een navorderingsaanslag op waarbij hij het aangegeven verlies corrigeerde naar een winst van € 218.505. Vervolgens legde de inspecteur over 2014 een navorderingsaanslag op naar een belastbaar bedrag van € 214.904. BV X ging hiertegen in bezwaar. De inspecteur handhaafde de navorderingsaanslag, en verminderde vervolgens het verlies over 2015 van € 108.512 naar nihil bij verliesherzieningsbeschikking. BV X ging in beroep. Zij voerde niets aan tegen de winstcorrectie over 2014, maar stelde dat zowel de aanslag als de navorderingsaanslag over 2014 moest worden vernietigd. Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep met betrekking tot de aanslag Vpb 2014 ongegrond. De Rechtbank was het niet met BV X eens dat die aanslag moest worden vernietigd omdat daarvoor geen aparte beschikking herziening verlies op grond van artikel 20b Wet Vpb was opgelegd. Voor dit jaar was namelijk geen sprake van een door de inspecteur vastgesteld verlies, zodat een (aparte) verliesherzieningsbeschikking voor dit jaar niet nodig was. De Rechtbank was het wel met BV X eens dat de navorderingsaanslag over 2014 moest worden vernietigd omdat de inspecteur geen aparte beschikking herziening verlies had genomen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgde dat aan het opleggen van een navorderingsaanslag in verband met een ten onrechte verrekend verlies, een verliesherzieningsbeschikking vooraf moest gaan. De inspecteur had echter pas ná het opleggen van de navorderingsaanslag een verliesherzieningsbeschikking genomen, zodat de navorderingsaanslag geen stand kon houden. Dit gebrek was niet geheeld met de latere verliesherzieningsbeschikking omdat die was genomen nádat de navorderingsaanslag was opgelegd. Alleen wanneer een belastingplichtige geen bezwaar had tegen een verkeerde volgorde, kon daaraan voorbij worden gegaan, maar dat was in dit geval niet aan de orde.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.