Fiscalist en oud-advocaat veroordeeld tot taakstraf van 180 uur

Datum: 8 juli 2020

De Belastingdienst stelde in juli 2014 een boekenonderzoek in bij een juridisch advieskantoor dat op naam stond van mevrouw Y, omdat eraan werd getwijfeld of zij fiscaal gezien wel als ondernemer kon worden aangemerkt. De Belastingdienst concludeerde dat niet zij, maar haar echtgenoot, fiscalist en oud-advocaat X, de onderneming exploiteerde. Uit het daarna ingestelde strafrechtelijk onderzoek bleek dat de administratie van het kantoor dusdanige gebreken bevatte dat deze niet voldeed aan de eisen. Een omzetadministratie was niet aanwezig en verder zaten privé- en zakelijke kosten, rekeningen en aanmaningen van verschillende jaren door elkaar in mappen. X verklaarde dat de administratie van het juristenkantoor één tot twee keer per week met de post naar zijn adviseur A werd gestuurd, die de administratie vervolgens verwerkte. A verklaarde dat hij de boekhouding van X sinds juli 2007 niet meer deed en alleen aangiften BTW indiende en betalingsopdrachten verwerkte. Vanaf 2012 baseerde hij de omzet op de telefonische of per mail gedane opgave van X en schatte de voorbelasting. Het OM eiste een gevangenisstraf van 6 maanden, maar de strafkamer van Rechtbank Amsterdam veroordeelde X tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden voor valsheid in geschrift en het niet-voeren van een deugdelijke administratie. De Rechtbank was het met de FIOD eens dat de boekhouding zo onvolledig en rommelig was dat het bijna onmogelijk was om te weten wat het resultaat van de onderneming was en wat de juiste bedragen hadden moeten zijn voor de aangiften BTW. Het niet-voeren van een deugdelijke administratie had per definitie tot gevolg dat er ook geen juiste aangiften konden worden gedaan. Hierdoor kon ook niet voor elke afzonderlijke aangifte worden beoordeeld of er een benadelingsbedrag was geweest en hoe hoog dit bedrag dan was geweest. Dit stond volgens de Rechtbank in de weg aan bewezenverklaring van het strekkingsvereiste van artikel 69 AWR, zodat ten aanzien van de aangiften niet alle vereiste bestanddelen van het ten laste gelegde bewezen konden worden verklaard. X werd daarom vrijgesproken van het doen van onjuiste aangiften BTW. Vervolgens besliste de Rechtbank dat het door het niet-voeren van de vereiste administratie onmogelijk was geweest om de omzet te bepalen en daarmee juiste bedragen in te vullen in de aangiften BTW. De ingediende aangiften waren, omdat zij waren gebaseerd op deze ondeugdelijke administratie, dan ook per definitie gebaseerd op onjuiste bedragen aan omzet en daarmee vals.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.