Door inspecteur ambtshalve toegepaste zelfstandigenaftrek niet in rechte te bestrijden

Datum: 8 juli 2020

X en zijn broer waren vanaf 2011 firmant in vof A, waarvan de winstverdeling 50/50 bedroeg. Bij de aanslagregeling IB 2011 tot en met 2014 volgde de inspecteur de door X ingediende aangiften waarin X de zelfstandigenaftrek had opgevoerd. Over 2011 en 2012 was de zelfstandigenaftrek verhoogd met de startersaftrek. X vroeg de inspecteur in maart 2016 om de zelfstandigenaftrek in de aanslagen 2013 en 2014 ongedaan te maken, maar de inspecteur wees dat verzoek af. X deed vervolgens opnieuw aangifte IB over 2013 en 2014 waarin hij de zelfstandigenaftrek niet claimde. De inspecteur volgde de verbeterde aangiften en legde naar aanleiding daarvan navorderingsaanslagen op, maar verminderde deze vervolgens weer. Op de beide besluiten tot vermindering van de navorderingsaanslagen stond vermeld dat X hiertegen bezwaar kon maken. De inspecteur corrigeerde daarnaast de aangifte IB over 2015 van X omdat daarin volgens hem ten onrechte de faciliteit voor willekeurige afschrijving was toegepast. X maakte bezwaar tegen de beslissingen van de inspecteur, maar die verklaarde de bezwaren ongegrond. X ging in beroep. De inspecteur vond dat de beroepen van X inzake de verminderingen van de navorderingsaanslagen IB 2013 en 2014 gegrond moesten worden verklaard en de bezwaren alsnog niet-ontvankelijk, omdat de ambtshalve verminderingen geen voor bezwaar vatbare beschikkingen waren. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde de inspecteur in het gelijk: de besluiten van de inspecteur betroffen ambtshalve genomen besluiten, waarbij de belastingaanslagen voor 2013 en 2014 door de inspecteur uit eigen beweging ambtshalve waren verminderd. Er was dus geen sprake geweest van ambtshalve vermindering op verzoek van X als was bedoeld in artikel 9.6, lid 3, Wet IB 2001. Die besluiten waren daarom geen voor bezwaar vatbare beschikkingen en daartegen stond op grond van artikel 26, lid 1, AWR geen rechtsgang open. Dat betekende dat de besluiten van de inspecteur waarbij de belastingaanslagen voor de jaren 2013 en 2014 waren verminderd onherroepelijk vast stonden, net als de toepassing van de zelfstandigenaftrek in die jaren. X had ook in 2015 ook geen recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek omdat niet werd voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden daarvoor, aangezien bij X in de vijf voorafgaande kalenderjaren méér dan tweemaal zelfstandigenaftrek was toegepast. Doordat in 2015 geen recht bestond op de verhoogde zelfstandigenaftrek was ook niet voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van de willekeurige afschrijving. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.