Micromanagende AA veroordeeld tot 12 maanden cel voor belastingfraude

Datum: 7 juli 2020

Accountant-Administratieconsulent X werd strafrechtelijk vervolgd voor belastingfraude. Hij was indirect enig aandeelhouder van BV A en (indirect) voor 50% aandeelhouder van accountants- en belastingadvieskantoor BV C. Bij een boekenonderzoek bij BV D was gebleken dat BV A geen BTW had verantwoord voor de verkoop van een Audi R8 aan BV D. De strafkamer van Rechtbank Overijssel verwierp de stelling van X dat BV A de Audi direct vóór de levering aan BV D voor hetzelfde bedrag had gekocht van BV C, zodat de in- en verkoop-BTW tegen elkaar wegvielen. BV C had namelijk ook geen BTW aangegeven in verband met de verkoop van de Audi. BV A had over het eerste kwartaal 2010 opzettelijk een onjuiste BTW-aangifte gedaan en X had daaraan feitelijk leiding gegeven. BV C had over 2008 tot en met 2010 in totaal € 103.094 te weinig BTW betaald. De geautomatiseerde verwerking vanuit het boekhoudprogramma van BV C zou moeten waarborgen dat de aangiften aansloten op de grootboekadministratie. De verschillen tussen de aangegeven BTW en de per saldo verschuldigde BTW volgens de grootboekadministratie konden volgens de Rechtbank alleen worden verklaard door handmatige aanpassingen. Dit duidde op opzet van de (onbekend gebleven) persoon die de aangiften namens BV C had verzorgd. Deze opzet bleek ook uit het feit dat balansposten met betrekking tot de verschuldigde BTW versluierd waren weg geboekt. Een relatiebeheerder bij BV C verklaarde dat X over alles ging en "micro-manager in optima forma" was. Ook volgens de salarisadministrateur bij BV C was X "de grote man op kantoor". De Rechtbank vond van belang dat X de HEAO had afgerond en in het accountantsregister stond ingeschreven als Accountant Administratieconsulent (AA) met certificeringsbevoegdheid. Het kon volgens de Rechtbank niet anders dan dat X wist van de afboekingen, ook omdat deze ten goede van hemzelf waren gekomen. X had daarom feitelijk leiding gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van BTW-aangiften door BV C. De Rechtbank vond tot slot ook bewezen dat X over 2007 tot en met 2010 opzettelijk onjuiste aangiften IB had gedaan door ten onrechte geen box II-inkomen aan te geven ter zake van de verbouwingskosten aan zijn woning, die door een van zijn BV’s waren betaald. De Rechtbank ging bij de strafoplegging uit van een totaal benadelingsbedrag van € 224.689, en veroordeelde X tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.