Voorziening voor groot onderhoud viel vrij bij verkoop distributiecentrum

Datum: 7 juli 2020

2BV X verkocht eind 2007 haar distributiecentrum en vormde voor de boekwinst van € 2,6 mln op aanraden van belastingadviseur Y een HIR. Ook vormde zij een voorziening voor groot onderhoud voor het distributiecentrum die vervolgens in vijf jaar zou moeten vrijvallen. Kort daarvoor waren de aandelen BV X verkocht, maar volgens Y verhinderde artikel 12a Wet Vpb de vorming van een HIR niet. De inspecteur stond de HIR echter niet toe omdat BV X volgens hem geen herinvesteringsvoornemen had. Ook de voorziening voor groot onderhoud accepteerde de inspecteur niet. Hij corrigeerde de aangifte Vpb 2007. Een tweede adviseur (Z) ging namens BV X in beroep tegen de aanslag Vpb 2017. Dat beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat Z dit beroep niet tijdig had gemotiveerd. BV X stelde begin 2014 beide adviseurs aansprakelijk voor de schade: Y voor een onjuist advies en Z omdat hij de belangen van BV X in de fiscale procedure niet naar behoren had behartigd. De civiele kamer van Hof Den Bosch besliste met betrekking tot Z dat sprake was geweest van een beroepsfout. BV X had volgens het Hof echter niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag Vpb 2017 onjuist was en dat de belastingrechter haar standpunt zou hebben gevolgd. Vervolgens besliste het Hof met betrekking tot de vordering tegen Y dat BV X niet had onderbouwd waarom een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in 2007 niet tot het geven van het advies tot vorming van een HIR had kunnen overgaan. BV X ging in cassatie en stelde dat de belastingprocedure met betrekking tot de voorziening wél anders had kunnen aflopen. De civiele kamer van de Hoge Raad stelde BV X in het ongelijk. De voorziening voor het groot onderhoud had betrekking op het distributiecomplex en door de verkoop daarvan kwam dat onderhoud niet meer ten laste van BV X. De voorziening moest daarom in haar geheel worden toegevoegd aan de winst van het jaar 2007. Voor het vormen van een nieuwe voorziening was vereist dat een redelijke mate van zekerheid bestond dat de toekomstige uitgaven zich zouden voordoen. De Hoge Raad verwierp de stelling van BV X dat hieraan was voldaan, gelet op de door haar genoemde overweging dat er mogelijk door de koper van het complex zou worden gereclameerd. Zij had niet toegelicht waarom die redelijke mate van zekerheid in dit geval bestond. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.