Fout aangiftegedrag belastingconsulent en onbeantwoord laten vragen door cliënten nieuw feit voor navordering cliënten

Datum: 3 juli 2020

In de aangiften IB 2011 tot en met 2014 van X en Y waren uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. De aangiften waren verzorgd door belastingconsulent A. In mei 2014 startte de inspecteur een onderzoek naar het aangiftegedrag van A. Eind 2015 had de Belastingdienst na een tweede onderzoek een bestand samengesteld met daarin de gegevens van 1.336 klanten van A. Op dat moment was het overgrote deel van de aangiften al geautomatiseerd afgedaan, zo ook die van X en Y. Naar aanleiding van het onderzoek had de inspecteur aan hen diverse keren vragen gesteld over de aftrekposten. Toen zij daar niet op reageerden, legde de inspecteur navorderingsaanslagen op. X en Y gingen in beroep en stelden dat de inspecteur geen nieuw feit had voor de navordering. Hof Amsterdam stelde hen in het ongelijk. Het Hof vond het op grond van een verklaring van een medewerker van de Belastingdienst aannemelijk dat het voor de Belastingdienst pas geruime tijd na de dagtekening van de aanslag IB 2014 mogelijk was om X en Y als cliënten van belastingconsulent A te identificeren. Volgens het Hof mocht de inspecteur ook nadat de aanslagen waren zijn informatiebevoegdheid van artikel 47 AWR jegens X en Y uitoefenen. Het niet-beantwoorden van de door de inspecteur gestelde vragen leverde volgens het Hof een nieuw feit op als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR. Anders dan op basis van de ingediende aangiften redelijkerwijs mocht worden verwacht, bleek uit het niet-beantwoorden van de – na het opleggen van de aanslagen – gestelde vragen het vermoeden dat X en Y de in de aangiften opgenomen aftrekposten niet konden onderbouwen. X en Y gingen in cassatie. De Hoge Raad heeft hun cassatieberoepen ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof moest volgens de Hoge Raad zó worden begrepen dat het nieuwe feit in de zin van artikel 16 AWR lag in het feit dat de belastingconsulent A op grote schaal onjuiste aangiften had verzorgd, dat dit wellicht ook het geval was bij de aangiften van X en Y en dat de inspecteur bevestiging van dit vermoeden had kunnen vinden in het uitblijven van een antwoord op zijn vragen. De beslissing van het Hof was volgens de Hoge Raad niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.