Bijna € 1,7 mln aan BTW-schulden carrouselfraudeur niet meer in te vorderen

Datum: 30 juni 2020

X ontving op 26 juni 2007 naheffingsaanslagen BTW over 2002, 2003 en 2004 van in totaal € 1.693.761, die terstond en tot het volle bedrag invorderbaar waren verklaard. De gemachtigde van X maakte bezwaar tegen de naheffingsaanslagen, maar de inspecteur hield de bezwaarschriften aan in verband met een lopend onderzoek van de FIOD-ECD. Daarna werd besloten dat eerst de uitkomst van de inmiddels aangespannen strafzaak tegen X zou worden afgewacht. Hof Den Bosch deed uiteindelijk op 21 december 2018 uitspraak in de strafzaak in hoger beroep. Daarna ontstond discussie tussen de gemachtigde van X en de ontvanger over de vraag of de vorderingen die voortvloeiden uit de drie naheffingsaanslagen nog wel konden worden ingevorderd. X vorderde naar aanleiding daarvan een verklaring voor recht dat de belastingenschulden waren verjaard. De ontvanger erkende bij zijn conclusie van antwoord dat de drie naheffingsaanslagen waren verjaard en liet weten dat er geen invorderingsmaatregelen meer zouden plaatsvinden. Rechtbank Limburg wees de vordering van X daarom toe en verklaarde voor recht dat de belastingschulden waren verjaard en niet meer waren in te vorderen door de ontvanger.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.