Inbreng panden vanuit maatschap in BV met ODB belaste verkrijging

Datum: 29 juni 2020

Maatschap Y was een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, die zich bezighield met het gezamenlijk beleggen in registergoederen. De maten hadden ieder een evenredig deel van de juridische en economische eigendom van een vastgoedportefeuille van 11 onroerende zaken waarin Y belegde. De maten brachten op 7 oktober 2016 ieder hun evenredig deel van de onroerende zaken in, in de op dezelfde datum opgerichte CV A. Bij de oprichting van CV A waren er ook enkele wijzigingen geweest ten aanzien van de maten. De overgebleven maten en de nieuwe participanten waren allen commanditaire vennoten geworden in CV A. De op dezelfde datum opgerichte BV X was de beherend vennoot van CV A. De aandelen van BV X waren in handen van een stichting. BV X deed aangifte overdrachtsbelasting (ODB) naar een bedrag van € 322.083, maar stelde vervolgens in bezwaar dat de overgang van de onroerende zaken geen levering in de zin van artikel 2, lid 1, WBR was. Volgens BV X had zij bij de overgang gehandeld voor rekening en risico van CV A; zij had de onroerende zaken alleen “op naam” gekregen en het belang bij die onroerende zaken was onveranderd bij de participanten gebleven. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het daar niet mee eens en verwierp ook de stelling van BV X dat de staatssecretaris met het besluit van 15 oktober 2015 een ruimere goedkeuring had willen geven dan uitsluitend voor de gelijktijdige verkrijging met dubbele heffing tot gevolg. BV X ging in hoger beroep, maar Hof Den Bosch stelde haar in het ongelijk. Volgens het Hof bleek uit de akte van levering dat BV X de onroerende zaken in eigendom had verkregen. Een CV was civielrechtelijk immers een personenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, die als zodanig niet zelfstandig (civielrechtelijke) rechtshandelingen kon aangaan. Dat de term “verkrijging” als zodanig niet in de wet was gedefinieerd stond niet aan heffing van ODB in de weg. In het algemeen was het aan de rechter die in de aan hem voorgelegde zaak invulling moest geven aan dergelijke begrippen. Daaraan deed ook niet af dat de economische eigendom (waaronder de beschikkingsmacht of het belang) van de onroerende zaken niet (volledig) bij BV X berustte. Het beroep van BV X op een analoge toepassing van onderdeel 9.1 van het besluit van 15 oktober 2015 kon haar ook niet baten omdat het besluit onder voorwaarden de verkrijging van de economische eigendom buiten de heffing liet, en in het geval van BV X sprake was van de verkrijging van de juridische eigendom. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.