Ex-belastingadviseur aansprakelijk voor BTW-schuld coöperatie

Datum: 25 juni 2020

X was van 16 juli 1998 tot 1 januari 2015 bestuurder en voorzitter van coöperatie A, die de administratie voerde van ondernemingen van haar leden. Y was de penningmeester van A. De inspecteur legde in maart 2014 twee naheffingsaanslagen BTW op aan A met betrekking tot 2010-2011 en 2012-2013. Toen A deze onbetaald liet, stelde de ontvanger X op 12 april 2016 voor € 155.805 aansprakelijk op grond van artikel 36 IW. Ook werd X op grond van artikel 32, lid 2, IW, aansprakelijk gesteld voor de heffingsrente, de kosten en de invorderingsrente. X ging in beroep. Rechtbank Den Haag verminderde de aansprakelijkstelling tot € 34.315, en Hof Den Haag was het daarmee eens. Het Hof besliste dat sprake was van ernstig nalatig en onzorgvuldig handelen van de bestuurders, waaronder X. De verwijtbaarheid van de bestuurders gold temeer omdat Y belastingadviseur was en X belastingadviseur was geweest en beiden daardoor geacht moesten worden op de hoogte te zijn en te zijn geweest van de fundamentele fiscale regelgeving met betrekking tot de BTW en de administratieve verplichtingen. Zij hadden volgens het Hof met opzet en grove schuld gehandeld, waardoor zij zelfs zichzelf het melden van betalingsonmacht in de zin van artikel 36, lid 4, IW 1990 juncto artikel 7, lid 2, UVBT IW 1990, onmogelijk hadden gemaakt. Het Hof verwierp de stelling van X dat het bewijsvermoeden van artikel 36, lid 4, IW 1990 in strijd was met het Europese evenredigheidsbeginsel. Volgens het Hof kon niet worden gezegd dat de Nederlandse wetgever bij de uitoefening zijn bevoegdheden op grond van artikel 21, lid 3, Zesde Richtlijn en artikel 205, BTW-Richtlijn 2006, het rechtszekerheids- en/of het evenredigheidsbeginsel niet had geëerbiedigd. Het Hof wees hierbij op een arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011. Het Hof besliste tot slot dat X onvoldoende had gespecificeerd en voor zover gespecificeerd niet aannemelijk gemaakt dat stukken ontbraken die specifiek betrekking hadden op X in relatie tot A en op de aan A opgelegde naheffingsaanslagen. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 04-12-2020