Zetelverplaatsing BV naar Malta niet succesvol: navordering bleef in stand

Datum: 24 juni 2020

De aandelen van de naar Nederlands recht opgerichte houdster-BV X waren in handen van A. A was tot 1 juli 2008 enig bestuurder van BV X. Daarna waren ook de voor trustkantoor C Ltd op Malta werkende en wonende B en G bestuurders. Op 2 juli 2008 werd BV X geregistreerd als "Oversea company" op Malta. In december 2008 informeerde de belastingadviseur van BV X de inspecteur over het besluit van BV X om zich op Malta te vestigen en de feitelijke leiding via B en G vanuit Malta te voeren. A emigreerde diezelfde maand naar Zwitserland. De inspecteur bevestigde de afspraak dat BV X vanaf 1 september 2008 niet meer binnenlands belastingplichtig was. Nadat de inspecteur de aangiften Vpb 2011 en 2012 met belastbare winsten van nihil had ontvangen, verzocht hij BV X om nadere informatie en concludeerde daaruit dat BV X in 2011 en 2012 wél in Nederland was gevestigd en onbeperkt Vpb-plichtig was. Hij legde navorderingsaanslagen Vpb en dividendbelasting op. De navorderingsaanslagen hadden nagenoeg geheel betrekking op de rente die BV X had ontvangen op de vorderingen die zij had op haar in Zwitserland wonende aandeelhouder A. BV X ging in beroep en stelde dat zij mocht vertrouwen op de afspraak met de inspecteur. Rechtbank Den Haag was dat met BV X eens, maar Hof Den Haag dacht daar anders over. BV X kon volgens het Hof geen vertrouwen ontlenen aan de verklaring van de inspecteur dat deze akkoord was met de zetelverplaatsing, omdat de werkelijke situatie anders was dan BV X had voorgespiegeld. De werkelijke besluitvorming vond namelijk in Nederland plaats en niet op Malta door B en G. De inspecteur beschikte daarom ook over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Het Hof besliste vervolgens dat BV X voor de toepassing van artikel 4, lid 1, van het belastingverdrag met Malta zowel inwoner was van Nederland als van Malta, zodat voor de bepaling van de woonplaats voor de toepassing van het belastingverdrag, de tiebreaker van het vierde lid van dat artikel moest worden toegepast. Daarvoor was de plaats van de werkelijk leiding van belang. De inspecteur had volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat dit in Nederland was, zodat de tiebreaker Nederland aanwees als woonstaat van BV X voor de verdragstoepassing. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond en handhaafde de navorderingsaanslagen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.