Voorziening voor schade beroepsfout advocaat

Datum: 20 mei 2020

Advocaat A was directeur en enig aandeelhouder van BV X, die samen met advocaat B een advocatenmaatschap vormde. A verkreeg na het overlijden van zijn vader in 2002 een naastingsrecht uit het jaar 1700, dat het recht van nakoop omvatte van land dat eigendom was van de gemeente Stichtse Vecht. Op grond daarvan had de gemeente land ter overname moeten aanbieden aan de vader van A. Dat was echter niet gebeurd. A was daarom in 2003 een civiele procedure gestart tegen de gemeente en liet zich daarbij vertegenwoordigen door B. De civiele kamer van Hof Amsterdam besliste in 2012 dat de gemeente het naastingsrecht moest naleven, waarop A een civiele schadevergoedingsprocedure instelde. De civiele kamer van Hof Arnhem-Leeuwarden besliste in 2015 echter in navolging van Rechtbank Midden-Nederland in 2013 dat de vorderingen van A op de gemeente waren verjaard. De verjaringstermijnen waren namelijk niet op tijd gestuit. BV X vormde in haar jaarrekening 2013 een voorziening van € 600.000 voor een schadevergoeding. De schadevergoeding zag op de door A geleden schade in verband met het niet-tijdig stuiten van de verjaringstermijnen, wat volgens BV X als een beroepsfout moest worden gekwalificeerd. De belastingkamer van Rechtbank Noord-Holland was het met de inspecteur eens dat BV X in haar aangifte Vpb 2013 ten onrechte een voorziening had gevormd. BV X ging met succes in hoger beroep. Hof Amsterdam vond het aannemelijk dat de verjaringstermijn pas was verstreken nadat BV X als lid van de advocatenmaatschap voor A was gaan optreden. Dit betekende volgens het Hof dat de door BV X gestelde voorziening op haar bedrijfsuitoefening betrekking had en dat op uitgaven die hun oorsprong vonden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hadden voorgedaan en ook overigens aan die periode konden worden toegerekend. Aangezien de civiele kamer van het Hof in 2012 had beslist dat het naastingsrecht door de gemeente moest worden gerespecteerd en nageleefd, Rechtbank Midden-Nederland in 2013 het beroep van de gemeente op verjaring gegrond had verklaard, had BV X volgens het Hof op balansdatum er ernstig rekening mee moeten houden dat zij door A zou kunnen worden aangesproken wegens het niet tijdig stuiten van de verjaring. Het Hof vond op balansdatum een redelijke mate van zekerheid aanwezig dat de door BV X gestelde uitgaven zich zouden voordoen. Daarvoor was het volgens het Hof niet nodig dat BV X op balansdatum (formeel) door A aansprakelijk was gesteld. BV X had volgens het Hof ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de omvang van de voorziening (naar maatstaven van goed koopmansgebruik) was te stellen op € 600.000. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 29-05-2020