Verzuimboete van € 369 voor te late IB-aangifte niet disproportioneel

Datum: 14 mei 2020

Nadat X was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB te doen over 2015 verzocht hij de inspecteur om uitstel voor de indiening van die aangifte. De inspecteur wees het verzoek af. X diende daarna de aangifte in. De inspecteur legde een aanslag op conform de aangifte met daarbij een (aangifte)verzuimboete van € 369. X ging in beroep en stelde dat de verzuimboete buitenproportioneel was. Hof Amsterdam stelde voorop dat de boete was opgelegd op basis van artikel 67a, lid 1, AWR en dat uit de wetsgeschiedenis daarvan bleek dat de wetgever deze verzuimboeten voor het niet-doen van aangiften met ingang van 1 januari 2010 fors had verhoogd omdat aangiften bij aanslagbelastingen voor de werkprocessen van de Belastingdienst een belangrijke functie vervulden. Voor het opleggen van een dergelijke verzuimboete was opzet of grove schuld niet vereist. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (AVAS) moest een boete achterwege blijven, maar daarvan was in dit geval geen sprake. Het Hof besliste verder dat er geen reden was de verzuimboete te matigen en het Hof vond de verzuimboete ook niet disproportioneel. Financiële omstandigheden van X ten tijde van het opleggen van de verzuimboete konden op zich reden zijn de boete te verminderen, maar X had niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake was. Dat X alsnog aangifte had gedaan, de inspecteur de aanslag had opgelegd overeenkomstig die ingediende aangifte en dat sprake zou zijn van "lichte verwijtbaarheid" was ook geen reden om de boete te verlagen. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 29-05-2020