Luxemburgse f.e.-regeling in strijd met EU-recht

Datum: 14 mei 2020

B was een vennootschap naar Luxemburgs recht en gevestigd in Luxemburg. Haar moedermaatschappij NV A was gevestigd in Frankrijk. B vormde met een aantal dochterondernemingen in Luxemburg een fiscaal eenheid (een "verticaal fiscaal geïntegreerde groep in het kader van de Luxemburgse fiscale-integratieregeling"). B wilde de f.e. uitbreiden met C en D, twee vennootschappen in Luxemburg die indirect in handen waren van NV A. B zelf bezat geen aandelen in C of D. De Luxemburgse Belastingdienst wees het verzoek af, waarop B in beroep ging. Het Franse Tribunal administratif verklaarde het beroep met betrekking tot de toepassing van de f.e.-regeling met ingang van 1 januari 2013 ongegrond omdat het verzoek niet vóór eind 2013 was ingediend. Voor het jaar 2014 was het beroep gegrond, omdat het verbod voor een in een andere lidstaat gevestigde niet-ingezeten moedermaatschappij om een f.e. tussen haar ingezeten dochterondernemingen te vormen, terwijl een ingezeten moedermaatschappij diezelfde mogelijkheid wel had, in strijd was met de vrijheden van verkeer en vestiging. Zowel B als de Luxemburgse Belastingdienst ging in hoger beroep, waarna de Cour administrative prejudiciële vragen stelde aan het EU-Hof van Justitie. Het EU-Hof besliste dat de artikelen 49 en 54 VWEU zich verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een verticale fiscale integratie van een ingezeten moedermaatschappij of een vaste inrichting in die lidstaat van een niet-ingezeten moedermaatschappij en haar ingezeten dochterondernemingen was toegestaan, maar niet een horizontale fiscale integratie van de ingezeten dochterondernemingen van een niet-ingezeten moedermaatschappij. Het was volgens het EU-Hof ook in strijd met het EU-recht als een moedermaatschappij in een andere lidstaat ertoe werd verplicht een bestaande verticale fiscale integratie van een dochteronderneming en een aantal van haar ingezeten kleindochterondernemingen te ontbinden om deze dochteronderneming in staat te stellen een horizontale fiscale integratie met andere ingezeten dochterondernemingen van die moedermaatschappij tot stand te brengen, ook al bleef de ingezeten consoliderende dochteronderneming dezelfde en leidde de ontbinding vóór het einde van de wettelijke minimumduur van integratie ertoe dat aan de betrokken vennootschappen een individuele aanslag werd opgelegd. Het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel verzetten zich volgens het EU-Hof echter niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat inzake een fiscale-integratieregeling volgens welke het verzoek om toepassing van de regeling moest worden ingediend vóór het einde van het eerste aanslagjaar waarvoor om toepassing werd verzocht.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 29-05-2020