Medewerker Belastingtelefoon wekte vertrouwen: geen revisierente

Datum: 9 april 2020

X kocht in 2015 een lijfrente af en ontving een uitkering van € 48.439. Bij de aanslagregeling IB 2015 bracht de inspecteur revisierente in rekening. X ging daartegen in beroep en stelde dat een medewerker van de Belastingtelefoon hem had toegezegd dat hij geen revisierente verschuldigd was. Hij verstrekte daarbij de handgeschreven notitie die hij naar aanleiding van het telefoongesprek had gemaakt. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel, maar Hof Den Bosch besliste op het hoger beroep van X anders. Het Hof vond het aannemelijk dat de medewerker van de Belastingtelefoon, mede naar aanleiding van vragen van haar zijde, wél op de hoogte was van de relevante feiten en omstandigheden betreffende X en de lijfrente en dat zij zonder enig voorbehoud had medegedeeld dat hij bij afkoop van de lijfrente geen revisierente verschuldigd zou zijn. Het aan X gegeven antwoord moest volgens het Hof worden aangemerkt als een toezegging en niet als een inlichting. Een inlichting ging over de wetstoepassing in een abstract aangeduide situatie, terwijl het bij een toezegging ging om de wetstoepassing in de concrete situatie van de belastingplichtige. Het Hof onderkende dat het belang van een onbelemmerde uitoefening van de voorlichtende taak van de Belastingdienst dwong tot een terughoudende toepassing van het vertrouwensbeginsel. Dat betekende echter niet dat uitlatingen gedaan door medewerkers van de Belastingtelefoon nooit als toezeggingen kunnen worden gekwalificeerd. Daar kwam bij dat de belastingplichtige in het huidige tijdsgewricht in de regel voor contacten met de Belastingdienst is aangewezen op de Belastingtelefoon en dat medewerkers van de Belastingtelefoon de mogelijkheid hebben vragen ter beantwoording voor te leggen aan een "backoffice", waarna de belastingplichtige werd teruggebeld door een medewerker van het regionale kantoor van de Belastingdienst. Volgens de inspecteur was het ook de bedoeling dat, als om een standpunt werd gevraagd, van die mogelijkheid gebruik werd gemaakt, maar had de medewerker van de Belastingtelefoon die X te woord had gestaan daarvoor kennelijk geen aanleiding gezien. Het Hof zag dan ook geen reden om de uitlatingen van de medewerker van de Belastingtelefoon niet aan de inspecteur toe te rekenen en honoreerde het beroep van X op het vertrouwensbeginsel. Het Hof vernietigde de revisierentebeschikking.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.