Niet-onderzoeken antwoord 10a Vpb-vraag in aangifte geen ambtelijk verzuim

Datum: 6 april 2020

In april 2009 leende BV X van het met haar verbonden Antilliaanse lichaam BV Y € 850.000 voor de aankoop van de aandelen BV Z. De lening was aangegaan voor 15 jaar tegen 5% rente. BV X bracht de rente in aftrek op haar winst en beantwoordde in haar aangiften Vpb vanaf 2009/2010 de vraag "toepassing tegenbewijsregeling artikel 10a Vpb" steeds met "ja". Naar aanleiding van de aangifte Vpb 2013/2014 vroeg de inspecteur om een toelichting dat aan de lening overwegend zakelijke overwegingen ten grondslag lagen of dat er per saldo een naar Nederlandse maatstaven redelijke belasting werd geheven. Een compenserende heffing was volgens BV X bij BV Y niet aan de orde, maar omdat BV Y de lening had verstrekt voor een externe acquisitie was volgens BV X sprake van een zakelijke transactie. De inspecteur corrigeerde de aangifte Vpb 2013/2014 en legde navorderingsaanslagen op over de voorgaande jaren. BV X ging in beroep. Rechtbank Den Haag was het met BV X eens dat de inspecteur niet beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit, maar Hof Den Haag dacht daar anders over. Dat BV X geen toelichting had gegeven op de toepasselijkheid van de tegenbewijsregeling, nam volgens het Hof niet weg dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangiften juist waren. De inspecteur had daarom de aangiften niet nader te hoeven onderzoeken. Van een ambtelijk verzuim was geen sprake. Het Hof besliste verder dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR, niet van toepassing was. De Belastingdienst was volgens het Hof niet beperkt in zijn controlemogelijkheden omdat het de inspecteur vrijstond van BV X te vragen om aannemelijk te maken dat aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen of dat er per saldo een naar Nederlandse maatstaven werd geheven. Ook was er geen reden om aan te nemen dat sprake was van winstbestanddelen die buiten het zicht van de fiscus waren gebleven. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur deels gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.