Horecaondernemer moet detailgegevens alsnog verstrekken

Datum: 26 maart 2020

BV X exploiteerde in twee vestigingen een grand-café/restaurant. Naar aanleiding van een boekenonderzoek naar de aangiften Vpb, LB en BTW over 2011 tot en met 2014 nam de inspecteur een informatiebeschikking. Volgens de inspecteur had BV X niet aan de informatieverplichtingen van artikel 47 AWR voldaan. Hij vond dat vooral op de volgende onderdelen géén of onvoldoende informatie was ontvangen: (1) instellingen kassasysteem, (2) artikelstambestand, (3) export van het kassajournaal, (4) export van het artikelbestand, (5) export van het transactierapport en (6) de digitale data uit het loonprogramma. BV X ging in beroep en stelde dat aan haar gemachtigde was toegezegd dat voor de controle in beginsel kon worden volstaan met controle van de gegevens die de gemachtigde bezat in het kader van de samenstellingsverklaring volgens accountantsstandaard 4410, aangevuld met een steekproef. Het was volgens BV X in strijd met deze afspraak dat zonder nadere motivering de (digitale) detailgegevens werden opgevraagd voor onderzoek. Rechtbank Gelderland besliste in een tussenuitspraak van 16 oktober 2019 dat bij de inspecteur kennelijk sprake was van een vaste gedragslijn met betrekking tot controles van MKB-ondernemingen. Die kwam erop neer dat een controle werd uitgevoerd op basis van de "4410-gegevens", aangevuld met een steekproef en dat pas bij concrete aanwijzingen dan kon worden getwijfeld aan de juistheid van die gegevens en de controle werd uitgebreid naar de (digitale) detailgegevens. In zijn reactie op de tussenuitspraak stelde de inspecteur dat geen sprake was van een van de Controleaanpak Belastingdienst (CAB) en het (openbare) Handboek Controle afwijkende vaste gedragslijn bij controles. De Rechtbank zag echter geen reden om terug te komen op haar beslissing in de tussenuitspraak dat in dit geval pas om nadere detailinformatie mocht worden gevraagd als aannemelijk was dat er concrete aanwijzingen waren dat de administratie onjuist was. De Rechtbank besliste vervolgens dat er in dit geval juist wel concrete aanwijzingen waren. De inspecteur had namelijk gewezen op het voor BV X afwijkende brutowinstpercentage ten opzichte van de inkoopprijs, en op het voor de twee vestigingen onderling afwijkende brutowinstpercentage. Dat laatste was opvallend omdat de twee vestigingen dezelfde prijzen hanteerden, en gebruik maakten van dezelfde leveranciers met dezelfde inkoopprijzen. De Rechtbank concludeerde dat er concrete aanwijzingen waren die rechtvaardigden dat de detailinformatie werd opgevraagd in aanvulling op de samenstellingsgegevens en de uitkomsten van de steekproef. Onder deze omstandigheden kon de informatiebeschikking als redelijk worden aangemerkt. BV X moest de gevraagde informatie alsnog binnen 6 weken verstrekken.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.