Bestuurder bij naderend bedrijfseinde niet aansprakelijk voor betalen van bank vóór betalen van belastingschulden

Datum: 24 maart 2020

Bestuurder X was middellijk medeaandeelhouder en indirect bestuurder van BV B die transporten verzorgde voor BV H. In juni 2008 kwam BV B in zwaar weer terecht omdat BV H het contract met haar opzegde. Nadat de bank in september 2008 de financiering van BV B beëindigde en werden alle activa van BV B verkocht. Op 31 oktober 2008 meldde BV B bij de ontvanger tijdig haar betalingsonmacht. Op 9 december 2008 werd BV B failliet verklaard. BV B gaf over september en oktober 2008 wel LB en BTW aan maar droeg die bedragen niet af en voldeed die niet. De ontvanger stelde X hoofdelijk aansprakelijk voor de door BV B onbetaalde gelaten naheffingsaanslagen. Hof Den Bosch vond dat terecht, maar de Hoge Raad besliste dat een bestuurder alleen kon worden verweten kennelijk onbehoorlijk te hebben bestuurd, als deze bij machte was geweest om de gewraakte bestuurshandelingen niet te verrichten. Het feit dat de curator bevoegd was tot voldoening van (belasting)schulden van BV B na de faillietverklaring van BV B sloot niet uit dat het aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van X te wijten was geweest dat de curator de LB en BTW over november 2008 niet had betaald. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Dat Hof besliste dat de ontvanger X terecht aansprakelijk had gesteld, omdat de voor de voortzetting van de bedrijfsvoering essentiële relaties (de dwangcrediteuren, zoals de bank, de werknemers, de brandstofleverancier en de ingehuurde transporteurs) van 31 juli 2008 tot 9 december 2008 met voorrang waren betaald boven de uit die voortzetting voortvloeiende belastingschulden. Dit was een vrije keuze van X geweest, want hij was van alle betalingen op de hoogte en hij had ook de betalingen aan derden kunnen blokkeren. X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het (een bestuurder van) een vennootschap in beginsel vrijstond om op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zouden worden voldaan. Als deze afweging leidde tot het besluit om belastingschulden van de vennootschap niet, of niet bij voorrang te betalen, kon die afweging volgens de Hoge Raad alleen dan worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, IW als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden dezelfde afweging had gemaakt. Volgens de Hoge Raad had het Hof dit miskend. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Den Haag. Op de zitting bij het Hof liet de ontvanger zijn stelling varen dat X voor de betalingen door BV B aan de bank een verwijt kon worden gemaakt. Het Hof besliste op basis van de door de Hoge Raad geformuleerde toetsingscriteria dat X ten onrechte aansprakelijk was gesteld. Doordat tijdens de fase dat BV B in financieel zwaar weer verkeerde was gekozen voor nakoming van de verplichtingen in plaats van abrupte beëindiging van de bedrijfsvoering en te kijken naar mogelijke nieuwe kansen voor het bedrijf, kon niet worden gezegd dat bestuurder X had bewerkstelligd dat belastingschulden van de BV onbetaald waren gebleven, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem persoonlijk een ernstig verwijt trof. Er kon niet worden gezegd dat X een afweging had gemaakt die een redelijk denkend bestuurder niet zou hebben gemaakt. Het Hof vernietigde de aansprakelijkstelling.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.