Onrendabele woning kan volgens A-G Niessen buitensporige last box III zijn

Datum: 20 maart 2020

De ex-echtgenote van X bleef in afwachting van de verkoop in de voormalige echtelijke woning wonen. X nam in zijn aangifte IB 2015 de helft van de WOZ-waarde van de woning in box III in aanmerking, maar ging later in beroep tegen de aanslag en stelde dat het forfaitaire rendement onredelijk was en in strijd met artikel 1 EP bij het EVRM. Hof Arnhem-Leeuwarden was het daar niet mee eens. Het Hof verwierp ook de stelling van X dat sprake was van een individuele en buitensporige last. X ging in cassatie. Vol-gens X was in zijn geval sprake van een individuele en buitensporige last omdat hij geen rendement had behaald op de (helft van de) woning zodat in zijn geval werd geheven over niet-bestaande vermogensin-komsten. De woning was geen belegging, maar was door de crisis jarenlang aangehouden in afwachting van verkoop. Hierdoor werd X geconfronteerd met dubbele woonlasten en kosten in verband met "ver-koopklaar" houden van de woning. Naar aanleiding hiervan heeft A-G Niessen een conclusie genomen. De A-G is van mening dat uit de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019 volgt dat de vermogensren-dementsheffing op stelselniveau niet in strijd was met artikel 1 EP EVRM. De A-G is het ook niet met X eens dat de waarde van de woning niet in de rendementsgrondslag kon worden betrokken omdat hij geen rendement kon behalen op de helft van de woning. Met betrekking tot de stelling van X dat in zijn geval sprake was van een individuele en buitensporige last, concludeerde de A-G dat er in dit geval twee as-pecten in het bijzonder van belang zijn: (1) of onder de in aanmerking te nemen omstandigheden ook de overige inkomsten – dus die worden belast in box I en/of box II – moeten worden begrepen, en (2) of een verlies uit het vermogen dat wordt belast in box III in het algemeen een individuele, buitensporige (excep-tionele) last is. De A-G beantwoordt de eerste vraag ontkennend: als een belastingplichtige uit box I of II-inkomen moet putten om de box III-heffing te voldoen, is sprake een buitensporige last. Volgens de A-G moet de rechter bij de tweede toets uitgaan van het resultaat in het belastingjaar waarover de procedure gaat. Aangezien het Hof in dit geval niet heeft onderzocht of X inderdaad een verlies op zijn vermogen heeft geleden, moet de zaak worden verwezen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.