Manager ondanks minderheidsbelang niet in dienstbetrekking

Datum: 26 februari 2020

BV X was in 2006 opgericht door BV A en BV F die vanaf de oprichting elk 50% van de aandelen hielden. D was directeur-grootaandeelhouder (DGA) van BV A en G was DGA van BV F. In de statuten van BV X was BV A als bestuurder genoemd en konden bestuurders door de ava worden geschorst en ontslagen. D en BV A sloten een arbeidsovereenkomst op grond waarvan D als directeur in dienst trad bij BV A. BV X sloot in september 2010 een managementovereenkomst met BV F en BV A. BV A werd daarbij benoemd tot bestuurder van BV X. In 2011 deed BV X een overname die door BV F werd gefinancierd. Hierdoor wijzigde de aandelenverhouding tussen BV A en BV F en hield BV A nog 30% van de aandelen in BV X en BV F 70%. De inspecteur concludeerde in 2016 na een boekenonderzoek dat D in dienstbetrekking was bij BV X, omdat door BV A heen moest worden gekeken en het BV X om D te doen was. De inspecteur legde aan BV X naheffingsaanslagen LB op over 2012 tot en met 2015. BV X ging met succes in beroep. Rechtbank Gelderland besliste dat geen sprake was van een dienstbetrekking. Voor de beoordeling van de formele gezagsrelatie kon er volgens de Rechtbank niet aan voorbij worden gegaan dat niet D, maar BV A bestuurder was. De ava kon BV A als bestuurder ontslaan, maar dat was niet hetzelfde als gezag uitoefenen over D bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Verder bleek nergens uit dat bij BV X en D de wil bestond om een arbeidsovereenkomst tot stand te brengen en dat zij hadden geprobeerd dit te verhullen. D en G stonden van oorsprong in een situatie van gelijkwaardigheid, ook in aandelenverhouding. Zij waren volgens de Rechtbank in die situatie gelijkwaardige ondernemers, die samenwerkten omdat ze verschillende kwaliteiten hadden. Om financiële redenen was die verhouding gewijzigd, maar de Rechtbank vond het aannemelijk dat zij daaraan nooit verder strekkende gevolgen hadden willen verbinden of in een gezagsverhouding tot elkaar hadden willen komen. De Rechtbank las in de overeenkomst van opdracht niet dat de management fee bij ziekte of ontstentenis van D werd doorbetaald, en geloofde de verklaring van D dat doorbetaling niet de bedoeling was. Dat was ook in lijn met de bepaling in de overeenkomst dat kosten die BV X maakte als zij zelf zorgde voor vervanging in mindering werden gebracht op de overeengekomen vergoeding. Een dergelijke bepaling kwam in een arbeidsovereenkomst niet voor. De Rechtbank verwierp tot slot de stelling van de inspecteur dat op grond van een Koninklijk Besluit van 24 december 1986 sprake was van een fictieve dienstbetrekking. De Rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen en verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.