Wél rechtsingang tegen internationaal informatieuitwisseling

Datum: 13 februari 2020

De staatssecretaris verzocht dienstverleningslichaam X op 2 mei 2018 om op grond van artikel 3a, lid 4, UVBT WIB inlichtingen te verstrekken over de jaren 2014 tot en met 2016. X maakte bezwaar. De staatssecretaris verklaarde dat niet-ontvankelijk. Een beslissing om informatie uit te wisselen met autoriteiten van een andere lidstaat was volgens hem geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. X ging in beroep en stelde dat uit het Berlioz-arrest van het EU-Hof van Justitie volgde dat rechtsmiddelen aangewend moesten kunnen worden tegen een beslissing om gegevens uit te wisselen met autoriteiten van een andere lidstaat. Dat dit sinds 1 januari 2014 door een wijziging van artikel 5 WIB niet meer mogelijk was, was volgens X in strijd met EU-recht. Anders dan Rechtbank Amsterdam, besliste de ABRvS dat volgens haar vaste jurisprudentie een bestuurlijk rechtsoordeel geen besluit was in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties werd een bestuurlijk rechtsoordeel omwille van de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. Daarvan was in dit geval sprake. De brief van de staatssecretaris van 2 mei 2018 kon volgens de ABRvS worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb. X had niet de mogelijkheid om bijvoorbeeld een vergunning of andere toestemming aan te vragen en zodoende in dat kader het geschil over de interpretatie van artikel 3a, lid 7, UVBT WIB in een procedure tegen het daarop genomen besluit aan de orde te stellen. Het afwachten van een handhavingsbesluit en vervolgens het geschil in een procedure tegen dat besluit aan de orde stellen, betekende dat X een punitieve sanctie moest afwachten om zo een rechtsingang te creëren. Als X weigerde om de gevraagde gegevens te verstrekken, kon de staatssecretaris haar op grond van artikel 11 WIB een bestuurlijke boete opleggen. Het alternatief was dat X de gegevens wel verstrekte. Dan moest zij eerst afwachten of een buitenlandse autoriteit op basis daarvan een beslissing nam en kon zij vervolgens alleen in een procedure in die lidstaat opkomen tegen de beslissing dat zij niet voldeed aan de in artikel 3a, lid 7, UVBT WIB neergelegde vereisten voor de aanwezigheid van een belastingplichtige in Nederland en daarmee tegen het verzoek om de in artikel 3a, lid 4, UVBT WIB opgesomde gegevens te verstrekken. Het was dan onvoldoende zeker of een buitenlandse rechter in een procedure tegen die beslissing kon en zou toekomen aan een beoordeling van genoemde rechtsoordelen op grond van het Nederlands recht. Volgens de ABRvS was het tegen deze achtergrond voor X onevenredig bezwarend als zij niet in Nederland kon opkomen tegen de beslissing van de staatssecretaris. De ABRvS verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.