Veroordeling voor witwassen na onvolledige inkeermelding

Datum: 11 februari 2020

Mevrouw X had bankrekeningen aangehouden bij de HSBC- en de UBS-Bank in Zwitserland. In 2007 was het saldo van de HSBC-Bank overgeboekt naar de UBS. Het saldo bij de UBS bedroeg toen ongeveer € 1.550.000. Mevrouw X had de buitenlandse bankrekening(en) niet vermeld in haar aangiften IB. In 2014 deed zij een inkeermelding, waarop de inspecteur vragen stelde over het vermogen. Mevrouw X antwoordde dat de bankrekening bij de UBS was geopend op 1 december 2000, maar dat zij geen toelichting kon geven op de aanvangswaarde op de rekening bij de UBS Bank van € 695.900. De FIOD stelde een strafrechtelijk onderzoek in vanwege het ongebruikelijke karakter van de inkeer. Daarbij speelde een rol dat de partner van mevrouw X criminele antecedenten had en eigenaar was van een coffeeshop. Mevrouw X werd strafrechtelijk vervolgd voor gewoontewitwassen. De strafkamer van Hof Den Bosch verwierp de stelling van mevrouw X dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, lid 3, AWR van toepassing was. Daarvoor was vereist dat vervolging op grond van artikel 69 AWR was uitgesloten. De verdachte moest met andere woorden succesvol zijn ingekeerd. Mevrouw X had echter ondanks dat zij daar verschillende keren door de Belastingdienst om was gevraagd, geen enkele toelichting gegeven op de aanvangswaarde van haar verzwegen Zwitserse bankrekening. Aangezien zij niet alsnog volledige inlichtingen had verschaft, was zij niet op de juiste wijze ingekeerd. Het Hof besliste vervolgens dat er onvoldoende bewijs voorhanden was op grond waarvan een rechtstreeks verband viel te leggen tussen het gestorte geld en een bepaald misdrijf. Volgens het Hof kon wel bewezen worden geacht dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was omdat dit op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kon zijn. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigden, mocht in beginsel van een verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gaf voor de herkomst van het geld. Mevrouw X had die verklaring niet gegeven. Het Hof veroordeelde mevrouw X tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 220 uur.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.