Lage sectorpremiepercentages voor meer/minder-urencontracten

Datum: 10 februari 2020

BV X was voor de heffing van premie voor de sectorfondsen ingedeeld in sector 001 (agrarisch bedrijf). Zij paste na verloop van zes maanden het lage sectorpremiepercentage toe bij werknemers met tijdelijke overeenkomsten van minimaal anderhalf jaar en voor de overeenkomsten voor onbepaalde tijd, die beide waren voorzien van een "meer- en minderurenclausule". De inspecteur was het hier niet mee eens en legde voor tijdvak 13 van het jaar 2016 een naheffingsaanslag loonheffingen op, maar Hof Den Haag vernietigde die naheffingsaanslag na het beroep van BV X. BV X kon de werknemer op basis van de "meer-minderclausule" gedurende een periode van maximaal zes maanden minder dan de overeengekomen uren inroosteren, en ook voor minder uren uitbetalen. Dat kon alleen tijdens de eerste zes maanden van het dienstverband, daarna moest BV X de werknemer voor de overeengekomen arbeidsduur betalen, waarbij het niet relevant was of BV X de werknemer daadwerkelijk arbeid kon bieden. Bij het aangaan van de overeenkomsten stond de omvang van de te verrichten arbeid vanaf de periode na de termijn voor toepassing van de "meer-minderclausule" – dus na zes maanden – vast. Op basis van de overeenkomsten hadden de werknemers na afloop van het eerste half jaar recht op betaling inzake de overeengekomen (wekelijkse) arbeidsduur. Hierdoor was vóór de overeenkomsten de omvang van de arbeid voor minimaal een aaneengesloten jaar al bij het sluiten van de overeenkomst bekend en stond die vast. Daarmee werd volgens het Hof voldaan aan de in artikel 28, lid 1, Wfsv en artikel 2.3, lid 1 en 2, onderdeel a, Besluit Wfsv genoemde voorwaarden, zodat op de overeenkomsten voor deze werknemers gedurende de hele periode het lage premiepercentage in aanmerking mocht worden genomen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.