Verzekeringsuitkering voor erven MH-17 slachtoffer belast loon

Datum: 7 februari 2020

Mevrouw A overleed in 2014 bij de ramp met de MH17. Zij was niet getrouwd, was geen geregistreerde partner en had geen kinderen. Zij woonde samen met haar partner B. Bij haar overlijden waren drie broers en twee zussen van mevrouw A in leven. Mevrouw A was op het moment van het MH17-ongeluk in dienstbetrekking bij Y Plc, onderdeel van een concern met een moedermaatschappij in de Verenigde Staten. Die moedermaatschappij had voor haar werknemers een wereldwijde reis- en ongevallenverzekering afgesloten (de E-polis). De broers en zussen van mevrouw A ontvingen in verband met haar overlijden een uitkering uit deze polis van USD 550.000. De inspecteur belastte het aan ieder van de broers en zussen toekomende deel van de overlijdensuitkering als loon uit vroegere dienstbetrekking. De erven gingen in beroep. Rechtbank Gelderland besliste dat de reisverzekering inclusief overlijdensrisicoverzekering deel uitmaakte van de arbeidsvoorwaarden van mevrouw A. De Rechtbank handhaafde de (navorderings)aanslagen. Een van de zussen (mevrouw X) ging in hoger beroep tegen de navordering van USD 100.000. Hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het recht op een uitkering bij overlijden was volgens het Hof een aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, Wet LB. Daarvoor was niet van belang of uit de arbeidsvoorwaarden de verplichting voor de werkgever voortvloeide om een dergelijke verzekering te sluiten. Ook was niet van belang dat de werkgever eenzijdig kon besluiten de verzekering te beĆ«indigen noch dat de werknemer op de hoogte was van de verzekering. De uit de dienstbetrekking voortvloeiende aanspraak behoorde volgens het Hof niet tot het loon omdat zij recht gaf op een uitkering bij overlijden door een ongeval. De uitkeringen behoorden dan wel tot het loon. Het Hof vond niet duidelijk welk belang de overlijdensuitkering had voor de directe bedrijfsvoering van de werkgever van mevrouw A, maar doordat zij vele internationale vliegreizen moest maken naar vaak afgelegen gebieden, kon volgens het Hof niet worden gezegd dat het recht op deze uitkering in een te ver verwijderd verband stond met de dienstbetrekking van mevrouw A om naar maatschappelijke opvattingen als beloningsvoordeel te worden ervaren. Omdat het daarnaast ging om een aanzienlijk bedrag, was volgens het Hof de vrijstelling voor uitkeringen of verstrekkingen die naar algemeen maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel werden ervaren, niet van toepassing. Verder had de inspecteur op de uitkering de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel n, Wet LB toegepast. Deze vrijstelling van driemaal het loon over een maand bedroeg € 36.415 en had de inspecteur over de vijf gerechtigden tot de uitkering verdeeld. Het Hof verwierp de stelling van mevrouw X dat zij recht had op de volledige vrijstelling in plaats van op € 7.283. Mevrouw X had loon genoten uit vroegere dienstbetrekking van haar overleden zus. Daarom werd bij het bepalen van de hoogte van de vrijstelling ook aangesloten bij het uit die dienstbetrekking genoten loon. Dan lag het volgens het Hof voor de hand dat die vrijstelling maar eenmaal op die uitkering kon worden toegepast, ook als die uitkering werd verdeeld over verschillende gerechtigden. Ook de tekst van de vrijstelling (eenmalige uitkeringen en verstrekkingen) wees erop dat ter zake van een bepaalde dienstbetrekking deze vrijstelling maar eenmaal werd toegepast. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 04-12-2020