Pro rata vastgoed-BV gecorrigeerd voor verkoopopbrengst woningen

Datum: 21 januari 2020

BV X hield zich bezig met het verwerven, ontwikkelen en exploiteren van onroerende zaken, waaronder in ieder geval de verhuur van panden in de zakelijke markt. Zij maakte deel uit van een f.e. voor de BTW. BV X had in 2006 ten minste vier appartementen verkocht en vrijgesteld van BTW geleverd. In 2007 leverde zij nogmaals één onroerende zaak BTW-vrijgesteld. De met die verkopen behaalde omzet nam zij niet mee in haar pro rata berekening. Naar aanleiding van een boekenonderzoek concludeerde de inspecteur dat BV X de omzetten van de verkochte panden ten onrechte niet had meegenomen in de pro rata berekening. De inspecteur legde daarom een naheffingsaanslag BTW op waarbij hij de in aftrek gebrachte voorbelasting over 2006 tot en met 2008 corrigeerde met € 14.100. BV X ging in beroep. Rechtbank Gelderland stelde voorop dat voor de berekening van het aftrekbare gedeelte de omzet buiten beschouwing werd gelaten met betrekking tot de levering van investeringsgoederen die de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming gebruikte, en met betrekking tot bijkomstige handelingen ter zake van onroerende zaken. Omdat BV X wilde afwijken van de hoofdregel dat omzet meetelde in de pro rata berekening, had zij de bewijslast dat de verkopen niet tot haar normale bedrijfsactiviteiten behoorden. BV X had volgens de Rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat de omzet buiten de pro rata berekening moest blijven. De Rechtbank vond het juist aannemelijk dat de verkopen onlosmakelijk verbonden waren met de gebruikelijke economische activiteiten van de onderneming en daarvan structureel onderdeel uitmaakten. Daarbij vond de Rechtbank van belang dat sprake was van verschillende BV’s waarvan de beroepen gelijktijdig en gezamenlijk met dat van BV X waren behandeld. De f.e., BV X en de andere drie BV’s hadden volgens de Rechtbank in de jaren 2006 tot en met 2008 bij elkaar vijf panden, ten minste vier appartementen en vier percelen grond verkocht. Ook vóór 2006 waren met enige regelmaat onroerende zaken verkocht en na 2008 nog af te toe. Dit kon niet meer worden beschouwd als incidenteel of eenmalig, ook al was er in sommige gevallen sprake van bijkomende omstandigheden. BV X had woonappartementen gekocht met de bedoeling ook die bedrijfsmatig te exploiteren. Daaraan deed niet af dat zij daar korte tijd later op was teruggekomen. De verkoop van de betreffende appartementen in de loop van 2006 vormde een onlosmakelijk onderdeel van de economische activiteiten die zij op dat moment verrichtte. Volgens de Rechtbank kon het aantal verkopen bij een zeer omvangrijke onroerendgoedportefeuille relatief gering zijn, maar BV X had daarin geen inzage gegeven. Uit de verklaring van BV X dat uit oogpunt van risicospreiding was gekozen voor verschillende BV’s leidde de Rechtbank af dat de verkopen een substantieel deel van de omzet uitmaakten in de betreffende jaren. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.