Woning niet gezamenlijk verkregen: geen ODB-vrijstelling voor samenwoners

Datum: 15 januari 2020

Mevrouw X en de heer Y hadden sinds 1978 een affectieve relatie. Zij waren op enig moment gaan samenwonen. In maart 2014 sloten zij een samenlevingsovereenkomst die zij op 12 maart 2004 hadden ondertekend. Tijdens de periode van samenwonen kreeg Y op 1 maart 2012 het recht van erfpacht op een woning. In 2017 ging het stel uit elkaar. Bij hun op 15 november 2017 gesloten convenant werd het recht op erfpacht op de woning toebedeeld aan mevrouw X. Kort daarna verkreeg zij bij akte van levering van 21 december 2017 het recht van erfpacht op de woning tegen een koopprijs van € 205.000. Mevrouw stelde dat de verkrijging van de woning was vrijgesteld van overdrachtsbelasting (ODB) op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel g, WBR (vrijstelling ODB bij samenwoners). Volgens mevrouw X was tussen haar en Y de facto een gemeenschap ontstaat, omdat zij 39 jaar een relatie hadden gehad en in die tijd alles samen hadden gedaan. De woning was op 1 maart 2012 verkregen en betaald uit gezamenlijk vermogen en de woning was door gemaakte afspraken gaan behoren tot het gezamenlijke vermogen. Daaraan deed volgens haar niet af dat de woning op naam van Y stond. Verder stelde zij dat het de bedoeling van artikel 15, lid 1, onderdeel g, WBR was om samenwonenden gelijk te stellen aan gehuwden. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was dat niet met haar eens. Volgens de Rechtbank moest de verdeling volgens artikel 15, lid 1, onderdeel g, WBR plaatsvinden tussen de oorspronkelijke gezamenlijke verkrijgers. Het moest gaan om de verdeling van een gemeenschap, die was ontstaan door een gezamenlijke verkrijging. Daarvan was alleen sprake als partijen op hetzelfde moment door één en dezelfde oorzaak gerechtigd waren geworden tot de onroerende zaak. Van een gezamenlijke verkrijging was geen sprake als de ene partij eigenaar was van het geheel en de helft daarvan overdroeg aan de andere partij. Omdat Y de woning in het geheel had verkregen, was geen sprake van een gezamenlijke verkrijging, ook al was de woning verkregen uit gezamenlijk vermogen. Aangezien de woning alleen aan Y toebehoorde, kon ook geen sprake zijn van een gemeenschap in de zin van titel 7, boek 3 BW en dus ook geen verkrijging van mevrouw X vanuit de gemeenschap. Dat mogelijk in wezen een gemeenschap was ontstaan, kon volgens de Rechtbank gezien de voorwaarden niet leiden tot een gemeenschap in de zin van titel 7 BW. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.