Koper van woning kan WOZ-waarde aanvechten in koopjaar

Datum: 15 januari 2020

Mevrouw X sloot op 18 april 2016 een overeenkomst in verband met de koop van een woning die zij op 1 augustus 2018 in eigendom verkreeg. In de koopovereenkomst was opgenomen dat de in 2016 verschuldigde OZB naar rato van tijd werd verrekend tussen mevrouw X en de verkoper. Mevrouw X vroeg op 21 april 2016 de gemeente Peel en Maas om een medebelanghebbendebeschikking in de zin van artikel 28 Wet WOZ. De gemeente wees het verzoek af, maar gaf haar wel een beschikking in de zin van artikel 26 Wet WOZ, met ingangsdatum 1 augustus 2016. Volgens de gemeente had mevrouw X geen recht op de artikel 28-beschikking omdat zij op 1 januari 2016 geen eigenaar was. Rechtbank Limburg was dat met de gemeente eens. Volgens de Rechtbank had mevrouw X geen individueel belang in de zin van artikel 28, lid 1, Wet WOZ. Mevrouw X ging in hoger beroep. Hof Den Bosch stelde voorop dat een beschikking in de zin van artikel 26 Wet WOZ, anders dan een beschikking ex artikel 28 Wet WOZ, niet terugwerkte tot een eerder rechtsmoment dan dat waarop de hoedanigheidswijziging plaatsvond waarbij artikel 26 Wet WOZ aangreep. Dat betekende dat de beschikking in de zin van artikel 26 Wet WOZ in dit geval maar werking had vanaf 1 augustus 2016. De beschikking ex artikel 28 Wet WOZ had echter, desgewenst, wél terugwerkende kracht tot een eerder rechtsmoment. In artikel 28, lid 2, Wet WOZ was bepaald dat de beschikking terugwerkende kracht had tot uiterlijk het begin van het kalenderjaar dat voorafging aan het jaar waarin het verzoek was gedaan (in dit geval tot 1 januari 2015). De OZB was een tijdstipbelasting waarbij het tijdstip van heffing het begin van het kalenderjaar was en waarbij de WOZ-waarde de heffingsmaatstaf was. Mevrouw X had, gelet op haar tijdsevenredige aandeel in de OZB over het jaar 2016 op grond van het koopcontract, belang bij een beschikking in de zin van artikel 28 Wet WOZ. Vervolgens besliste het Hof met betrekking tot de door mevrouw X (uiteindelijk) beoogde vermindering van het pro rata-gedeelte van de OZB dat was voldaan aan de beide in de slotzin van artikel 28, lid 1 Wet WOZ genoemde voorwaarden. Aan de voorwaarde dat het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift werd gebruikt, was voldaan, omdat het waardegegeven in het kader van de Wet WOZ was gebruikt, welk gebruik onder andere had geleid tot heffing van OZB van de verkoper van de onroerende zaak. Uit de wet, noch uit de wetsgeschiedenis kon worden afgeleid dat het gebruik van het waardegegeven rechtstreeks moest zijn betrokken van het subject dat de beschikking in de zin van artikel 28 Wet WOZ aanvroeg. Verder was ook voldaan aan de voorwaarde dat het gebruik van het waardegegeven de belanghebbende in zijn individuele belang kon raken. Het belang dat mevrouw X op grond van de koopovereenkomst had bij een tijdsevenredige vermindering van de heffing van OZB over het jaar 2016 vond het Hof voldoende voor het bestaan van een individueel belang als hier bedoeld. Een fiscaal belang, zoals was vereist onder de tot 1 oktober 2015 geldende wettelijke regeling was niet meer vereist. De wetgever vond dat vereiste onnodig beperkend voor het honoreren van aanvragen van WOZ-beschikkingen door medebelanghebbenden. Volgens het Hof kon uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat een belang als hier aan de orde, dat weliswaar een verbintenisrechtelijke oorsprong had en geen wettelijke, buiten de door de wetgever beoogde verruiming van het belangvereiste zou vallen. Het Hof verklaarde het hoger beroep van mevrouw X gegrond en wees de zaak terug naar de gemeente voor een artikel 28 Wet WOZ medebelanghebbendebeschikking.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.