Gevangenschap geen reden voor verlaging of vernietiging vergrijpboete

Datum: 13 januari 2020

In april 2013 werd X aangehouden en verhoord in verband met een overtreding van de Opiumwet. Daarna werd bij een huiszoeking bij X € 27.500 aan contanten aangetroffen. In mei 2016 werd hij strafrechtelijk veroordeeld voor het telen van hennep. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek legde de inspecteur een navorderingsaanslag IB 2013 op met een vergrijpboete van € 8.037. Hij verhoogde het inkomen van X met bijna € 30.000 aan contante stortingen op een bankrekening en met € 23.200 in verband met de aankoop van een auto, een motor en een ring. X ging in beroep en stelde dat het aangetroffen geld en de gestorte contanten waren geleend van de vader van zijn partner. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep gegrond maar alleen ten aanzien van de boete omdat de redelijke termijn was overschreden. X ging in hoger beroep en stelde dat de boete moest vervallen in verband met zijn slechte financiële omstandigheden omdat hij nog belastingschulden had en nog beslag rustte op zaken van hem, en hij als gedetineerde geen inkomen had. Hof Den Bosch besliste echter dat de openstaande belastingschulden van € 40.000 grotendeels kon worden voldaan met het beslag van Justitie van € 20.000 op contanten en de ring. De nog niet betaalde belastingschuld was volgens het Hof daarom geen reden om de boetebeschikking te verminderen of vernietigen. Dat X momenteel geen inkomen had omdat hij gedetineerd was, bracht volgens het Hof ook niet zonder meer met zich dat de boetebeschikking moest worden vernietigd of verminderd, omdat X verder geen inzicht had gegeven in zijn financiële omstandigheden. Het Hof vond de hoogte van de boete passend en geboden en verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.