Dividenduitkering van € 24 mln buitenlandse a.b.-winst van BV

Datum: 10 januari 2020

De naar Nederlands recht opgerichte BV X had vanaf haar oprichting in 1985 alle B-aandelen in BV Y. In 2010 nam BV X ook de A-aandelen in BV Y over van haar in 1989 uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (VK) geëmigreerde middellijk aandeelhouder Z. Ook in 2010 werd de feitelijke leiding van BV X verplaatst naar Luxemburg. Z verhuisde in 2009 naar Zwitserland waar hij woonde tot zijn overlijden eind 2012. In 2012 keerde BV Y € 24.202.328 dividend uit aan BV X. De inspecteur nam de dividenduitkering in aanmerking als belastbaar inkomen uit a.b. op grond van artikel 17, lid 3, onder b, Wet Vpb. Hof Den Haag was het daarmee eens. BV X hield een a.b. in BV Y met als voornaamste doelde heffing van inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan. BV X ging in cassatie. De Hoge Raad stelde voorop dat voor de toepassing van artikel 17, lid 3, onder b, Wet Vpb de belastingplichtige het a.b. moest houden met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve voorwaarde) én dit a.b. niet behoorde tot het vermogen van een onderneming (objectieve voorwaarde). De Hoge Raad was het eens met het Hof dat aan de objectieve voorwaarde was voldaan. De subjectieve voorwaarde was volgens de Hoge Raad in beginsel vervuld als de achterliggende aandeelhouder(s) meer Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de belastingplichtige, dus als het a.b. in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou worden gehouden. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat de heffing van Vpb over de dividenduitkering niet werd verhinderd door de moeder-dochterrichtlijn en ook niet in strijd was met de vrijheid van vestiging. Uit de jurisprudentie van het EU-Hof volgde onder meer dat een beperking van de vestigingsvrijheid was gerechtvaardigd als die specifiek tot doel had gedragingen te verhinderen die erin bestonden volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband hielden met de economische realiteit en bedoeld waren om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd was over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.