Belastingplichtige volgens A-G IJzerman niet te beboeten voor niet-controleren van belastingadviseur

Datum: 6 december 2019

Aan X en zijn echtgenote waren persoonsgebonden budgetten (PGB’s) toegekend voor hun drie zoons naar aanleiding van hun aanvragen. In zijn door administratiekantoor A ingediende aangiften IB over 2010 tot en met 2013 waren de PGB-inkomsten niet aangegeven. De inspecteur legde aan X navorderingsaanslagen op over 2010 tot en met 2012 en corrigeerde de aangifte IB 2013. De (navorderings)aanslagen werden verhoogd met vergrijpboeten van respectievelijk € 6.458, € 7.402, € 12.649 en € 13.638. X ging in beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigde de navorderingsaanslag en boete over 2010 wegens termijnoverschrijding, maar handhaafde de navorderingsaanslagen en boeten over de andere jaren. Volgens het Hof kon X worden verweten dat hij niet de zorg had betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd bij de samenwerking met zijn adviseur en dat was volgens het Hof te wijten aan zijn aan opzet grenzende grove schuld. X wist dat de inkomsten uit het PGB in 2011 en 2012 moesten worden aangegeven en had daarom ook alle relevante informatie aan de adviseur verstrekt met betrekking tot door hem genoten belastbare inkomsten uit de PGB’s. De staatssecretaris ging in cassatie tegen de beslissing van het Hof met betrekking tot de termijnoverschrijding ten aanzien van de IB 2010. X ging in cassatie tegen de handhaving van de vergrijpboeten wegens grove schuld van X aan het niet-aangegeven van de PGB-inkomsten. A-G IJzerman was het met de staatssecretaris eens dat de navorderingsaanslag IB 2010 wél tijdig was opgelegd. Op grond van de wet verviel de bevoegdheid van de inspecteur om een navorderingsaanslag vast te stellen door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld was ontstaan. Die termijn werd verlengd met het desgevraagd verleende uitstel voor het doen van aangifte. Daarbij was volgens de A-G niet van belang of uitstel pas was verzocht na indiening van de aangifte. De A-G was het ook met X eens dat hij niet kon worden beboet. Op grond van de stand van de jurisprudentie was een belanghebbende niet verplicht om de door zijn adviseur ingediende aangiften te controleren. X had alle relevante informatie verstrekt aan zijn adviseur die hij voor deskundig mocht houden. Er bestond dan geen algemene verplichting voor X om de aangiften te controleren. Er was volgens de A-G niet gebleken van bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.