Na overlijden betaalde zorgkosten niet aftrekbaar bij erflater

Datum: 6 december 2019

Mevrouw X overleed op 2 augustus 2015. In de laatste weken van haar leven waren zorgkosten gemaakt die haar erfgenamen uit de onverdeelde boedel hadden betaald. In de overlijdensaangifte IB 2015 van hun moeder namen de erven X (na toepassing van de drempel) € 4.104 zorgkosten op. De uitgaven betroffen onder meer € 5.337 voor extra gezinshulp en € 44 apotheekkosten voor medicatie ten behoeve van palliatieve sedatie. De inspecteur weigerde de uitgaven voor gezinshulp en de apotheekkosten omdat die na het overlijden van mevrouw X waren betaald. De uitgaven voor zorgkosten bleven daardoor onder de drempel zodat de inspecteur de gehele aftrek van zorgkosten van € 4.104 corrigeerde. De erven X gingen in beroep. Hof Den Haag was het met hen eens dat de kosten voor extra gezinshulp en de apotheekkosten op mevrouw X hadden gedrukt en daarom nog op haar inkomen in aftrek konden worden gebracht. De staatssecretaris ging in cassatie en stelde dat het Hof artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 onjuist had uitgelegd. Kosten die na het overlijden waren betaald, waren volgens de staatssecretaris niet aftrekbaar op het inkomen van de overledene. De Hoge Raad stelde voorop dat de kosten die de erven X op het inkomen van hun moeder in aftrek wilden brengen, op zich specifieke zorgkosten in de zin van de Wet IB 2001 waren. Hoewel het bij dit soort kosten in de laatste weken van het leven voor de hand lag dat zij pas ná het overlijden werden betaald, was dat moment van betalen volgens de Wet IB 2001 een beletsel om die kosten op het inkomen van mevrouw X in aftrek te brengen. Artikel 6.40 Wet IB 2001 bepaalde namelijk dat het tijdstip waarop aftrekbare uitgaven voor aftrek in aanmerking kwamen, het tijdstip van betaling was. In dit geval waren de kosten na het overlijden van mevrouw X door de erven X betaald. De na het overlijden door een erfgenaam betaalde zorgkosten konden volgens de Hoge Raad alleen door de erfgenaam zelf als specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen met inachtneming van de voor die erfgenaam geldende drempel. Door het overlijden veranderden die kosten namelijk niet van aard. Dat was ook al zo onder de Wet IB 1964. De Hoge Raad verwees hiervoor naar twee arresten van de Hoge Raad van 15 juli 1986. De erven X hadden erop gewezen dat deze uitspraken van de Hoge Raad uit 1986 nog niet op rechtspraak.nl waren te vinden. De Hoge Raad bevestigde dat zijn uitspraken van vóór 2000 inderdaad nog niet allemaal op rechtspraak.nl. stonden, maar dat deze arresten uit 1986 alsnog op rechtspraak.nl worden gepubliceerd (wat op 2 december 2019 inderdaad is gebeurd, -red.). De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond en besliste dat aftrek in de aangifte van de overleden mevrouw X niet mogelijk was.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.