A-G: BTW-aangiften handelaar in telefoonkaarten door niet-naheffingsbeleid fiscus pleitbaar én correct

Datum: 3 december 2019

BV X hield zich bezig met schijnbuitenlandverkoop van prepaid telefoonkaarten die in werkelijkheid in Nederland werden verkocht. Zij kocht de telefoonkaarten in bij A die haar 19% BTW in rekening bracht en voldeed aan de Belastingdienst. BV X verkocht de kaarten door en bracht de haar door A in rekening gebrachte BTW als voorbelasting in aftrek. Zelf bracht zij over ruim 40% van de door haar verkochte kaarten geen BTW in rekening omdat die volgens haar facturen met toepassing van de BTW-verleggingsregeling verkocht zouden zijn aan het Belgische bedrijf B. De op naam van B gefactureerde telefoonkaarten werden echter niet aan B verkocht maar aan personen op diverse locaties in Rotterdam die de kaarten vervolgens op de Nederlandse markt verkochten. BV X werd in februari 2017 door de strafkamer van Hof Arnhem-Leeuwarden na twee eerdere cassaties op grond van artikel 69, lid 2, AWR, veroordeeld tot € 500.000 boete vanwege het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. Volgens het Hof was feitelijk sprake van binnenlandse transacties en niet van intracommunautaire leveringen, en waren de onjuiste facturen bedoeld om dit te verhullen. Het Hof vond het niet van belang dat de belastingkamer van Hof Den Bosch het hoger beroep van BV X in de belastingzaak gegrond had verklaard omdat naheffing onverenigbaar was met het gelijkheidsbeginsel. BV X ging opnieuw in cassatie. Advocaat Generaal (A-G) Wattel heeft een conclusie genomen. De A G adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep van BV X gegrond te verklaren. Het Hof had zijn beslissing dat de gedragingen van BV X ertoe strekten dat te weinig belasting zou worden geheven gebaseerd op de aanname dat het standpunt dat per saldo geen BTW verschuldigd was, niet pleitbaar was. Volgens de belastingkamer van Hof Den Bosch was echter inderdaad geen BTW verschuldigd. Uit de onherroepelijke uitspraak van de belastingkamer van het Hof Den Bosch bleek volgens de A-G dat, achteraf bezien, dat standpunt niet alleen pleitbaar, maar ook rechtens juist was, gegeven de vrijstelling voor de verkoop van deze telefoonkaarten en het niet-naheffingsbeleid van de fiscus wegens gebrek aan belang. Als de fiscus beleidsmatig afzag van naheffing over formeel ten onrechte in aftrek gebrachte input-BTW, kon volgens de A-G niet worden gezegd dat die aftrek naar haar aard in het algemeen geschikt zou zijn om teweeg te brengen dat rechtens onvoldoende belasting wordt geheven. Het standpunt van BV X dat de aangifte per saldo niet te laag was, was daarom niet alleen pleitbaar, maar ook rechtskundig correct. Van opzet was daarom volgens de A-G geen sprake. De A-G adviseerde de Hoge Raad de beslissing van de strafkamer van Hof Arnhem-Leeuwarden te vernietigen. De A-G adviseerde ook het cassatieberoep van één van de directeuren-grootaandeelhouders van BV X gegrond te verklaren tegen zijn veroordeling door Hof Arnhem-Leeuwarden tot 10 maanden voorwaardelijke celstraf en 240 uur taakstraf vanwege feitelijk leidinggeven aan het door BV X opzettelijk doen van onjuiste aangiften.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.