Politicus nagevorderd voor privéuitgaven uit partijkas, maar zonder boeten

Datum: 2 december 2019

X werkte voor een politieke partij in de gemeentepolitiek en was onder andere wethouder en raadslid. In 1986 was een bankrekening geopend op naam van de partij maar gekoppeld aan het privéadres van X, die ook over een bankpas daarvan beschikte. De bankrekening was bedoeld om de donaties en bijdragen te ontvangen voor verkiezingscampagnes. Van mei 2007 tot en eind oktober 2014 was in totaal € 155.514 opgenomen/uitgegeven bij geldautomaten en verschillende horecagelegenheden en winkels, zowel in Nederland als in het buitenland. Van het contant opgenomen geld was € 6.777 uitgegeven bij een reisbureau. Een bedrag van € 15.335 was besteed aan de campagne van de partij. Tijdens een strafrechtelijk onderzoek bleek dat X vanuit zijn privérekening betalingen had gedaan aan bedrijven die opdrachten uitvoerden voor partijcampagnes en het bankpasje had gebruikt in Rio de Janeiro. De inspecteur legde over 2010 tot en met 2014 navorderingsaanslagen IB op met vergrijpboeten van 100%. X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verwierp de primaire stelling van X dat de inspecteur geen nieuw feit had voor de navorderingen. De inspecteur had pas op 11 november 2015 informatie uit het strafrechtelijk onderzoek ontvangen, terwijl op 21 augustus 2015 als laatste de definitieve aanslag over 2014 was opgelegd. De Rechtbank besliste vervolgens dat X niet aannemelijk had gemaakt dat de gelden waarover hij voor privédoeleinden had beschikt, waren bedoeld tot vereffening van door hem in het verleden uit privémiddelen betaalde bedragen. De gelden moesten worden aangemerkt als inkomen dat X had genoten. Volgens de Rechtbank had X niet de juiste aangiften ingediend, en de niet-aangegeven inkomsten waren zo hoog dat de daarop betrekking hebbende IB zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk was. X moest zich hiervan bewust zijn geweest op het moment dat hij aangifte deed, zodat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard. De Rechtbank ging akkoord met de door inspecteur in aanmerking genomen correcties; hij was terecht voor de hoogte van het inkomen terecht uitgegaan van de opnamen en uitgaven zoals deze bleken uit de bankafschriften van de partij. Wel vernietigde de Rechtbank de opgelegde vergrijpboeten omdat X niet in de gelegenheid was geweest om zijn kant van het verhaal mondeling toe te lichten voor de Rechtbank. De Rechtbank vond het opleggen van een boete bovendien niet passend en geboden in verband met de persoonlijke (medische en psychische) omstandigheden van X.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.