Zonder belastingaangifteplicht geen bestraffing voor onjuiste belastingaangifte

Datum: 2 december 2019

X werd strafrechtelijk vervolgd voor het (mede)plegen van het opzettelijk indienen van onjuiste BTW-aangiften van groothandel A nadat uit onderzoek van de FIOD was gebleken dat de Belastingdienst ten onrechte € 764.664,85 aan BTW had uitbetaald op onjuiste aangiften van A. De strafkamer van Rechtbank Limburg veroordeelde X tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. X ging in hoger beroep. De strafkamer van Hof Den Bosch stelde voorop dat X alleen als pleger van de op naam van bedrijf A onjuist gedane aangiften BTW kon worden aangemerkt als X degene was geweest die deze aangiften moest doen en dus X aangifteplichtig was. Volgens het Hof bleek uit de wetsgeschiedenis dat daarvan alleen sprake was als X (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte. Een belastingplichtige die niet was uitgenodigd tot het doen van aangifte, was niet aangifteplichtig. Die belastingplichtige moest wel verzoeken om een uitnodiging tot het doen van een aangifte. Als hij dat niet deed, kon een bestuursrechtelijke boete worden opgelegd, maar die belastingplichtige kon niet strafrechtelijk worden bestraft. Alleen de persoon die was uitgenodigd aangifte te doen was aangifteplichtig, zelfs als die persoon nadien niet belastingplichtig bleek te zijn. Uit de voorgenomen wetswijziging per 1 januari 2020 met betrekking tot de spontane aangifte bleek volgens het Hof dat de wetgever (nog steeds) van mening was dat het indienen van een (digitaal) aangiftebiljet zonder dat daaraan een uitnodiging tot het doen van een aangifte ten grondslag lag, niet kon worden aangemerkt als het doen van een aangifte. Het Hof sprak X vrij voor zover hij werd vervolgd als pleger van het onjuist doen van de BTW-aangiften, omdat groothandel A als belastingplichtige voor de BTW was uitgenodigd tot het doen van aangiften voor de BTW en A door die uitnodiging aangifteplichtig was. Het was niet gebleken dat X (ook) was uitgenodigd tot het doen van de in de tenlastelegging bedoelde aangiften. Weliswaar kon alleen degene die was uitgenodigd om aangifte te doen (aan wie een aangiftebiljet was uitgereikt) het misdrijf van artikel 69, lid 2, AWR plegen, maar dit sloot niet uit dat een ander dit strafbaar feit in de zin van artikel 47 Sr kon medeplegen. Hieraan deed niet af dat X sommige aangiften BTW ook zelf bij de Belastingdienst had ingediend, omdat hij niet de kwaliteit van aangifteplichtige bezat. X kon volgens het Hof ook niet worden aangemerkt als medepleger van het opzettelijk onjuist doen van aangiften loonheffing omdat de bijdrage aan de door A begane belastingfraude bestond uit het onterecht opgeven van te hoge bedragen aan voorbelasting en terugvragen van BTW en X geen werknemer was van A. Het Hof was het tot slot wel met de Rechtbank eens dat X strafbaar was voor het valselijk opmaken van de aangifte BTW, omdat hij facturen had ingeboekt in de administratie van A zonder dat die facturen er waren. Het was zwaar verwijtbaar dat hij de facturen had ingeboekt zonder het bestaan van die facturen te verifiëren. Hiermee had hij volgens het Hof bewust de aanmerkelijke kans op de valsheid van de aangiften BTW aanvaard. Het Hof veroordeelde X tot een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.