Belastingconstructie met scheepvaart-CV niet succesvol

Datum: 27 november 2019

BV X ondertekende op 22 oktober 2010 een term sheet waarmee zij zich verbond tot investering in een zeeschip. Naast BV X ondertekenden ook C GmbH en D LLP de termsheet. C GmbH behoorde tot de C groep, een grote scheepvaartonderneming en D LLP was onderdeel van een Londense adviesfirma die de structuur had bedacht. Op 5 november 2010 sloten BV X, BV E i.o., C GmbH en F UA een participation agreement. Daarin werden de in de term sheet overeengekomen voorwaarden nader vastgelegd. BV E werd opgericht door BV X en met haar gevoegd in een f.e. voor de Vpb. BV E trad als commanditair vennoot toe tot CV Y. Bij de participation agreement behoorde ook een concept-akte van verkoop van de aandelen BV E. F UA was verplicht om BV X op 1 april 2011 een onherroepelijk en onvoorwaardelijk bod te doen waartegen BV X tot en met 31 december 2012 de aandelen in BV E kon verkopen. BV X stortte € 824.000 als agio in BV E. Zij was daartoe verplicht op basis van een tax sharing agreement. In de jaren 2010 en 2011 maakte BV X vervolgens gebruik van de tijdelijke regeling voor willekeurige afschrijving. In januari 2012 verkocht BV X de aandelen BV E voor € 1 aan F UA en werd de f.e. verbroken. De inspecteur concludeerde in 2015 dat de waardeontwikkelingen in BV E BV X niet waren aangegaan en daarom niet was voldaan aan de voorwaarden voor een f.e. BV X had volgens de inspecteur niet de economische eigendom van de aandelen BV E gehad. BV X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het met de inspecteur eens dat het zo goed als zeker was dat BV X de aandelen BV E zou verkopen voor € 1. Gelet op de overeengekomen methode voor het bepalen van de verkoopprijs van de aandelen was het volgens de Rechtbank niet aannemelijk dat er een reële kans was dat de aandelen een hogere waarde zouden hebben dan € 1 en dat BV X ervoor zou kiezen de putoptie niet uit te oefenen. Daarbij kwam dat BV X had bevestigd dat zij niet de intentie had om langdurig in CV Y te participeren. De doelstelling van deelname aan de CV was het creëren van de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van het (fiscale) voordeel dat de tijdelijke maatregel van willekeurige afschrijving bood. Daaraan deed volgens de Rechtbank verder niet af dat BV X daadwerkelijk risico had gelopen aangezien zij in totaal € 841.900 op de aandelen had gestort en daarvoor slechts € 1 had teruggekregen. De storting op de aandelen kon namelijk niet los worden gezien van het fiscale voordeel dat met het aangaan van de constructie was beoogd. Dit bleek ook uit het feit dat de verplichte agiostorting een percentage was van het door BV X behaalde voordeel door toepassing van de willekeurige afschrijving. Aangezien BV X nimmer de economische eigendom had gehad van de aandelen BV E, was geen f.e. tot stand gekomen. De Rechtbank handhaafde de navorderingsaanslag en verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.