Met aftrekken hypotheekrente voor niet-hoofdverblijf vereiste aangifte niet gedaan

Datum: 7 november 2019

Na anonieme tips bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) over bijstandsfraude door mevrouw Y, bleek uit onderzoek van de DWI dat haar vriend X spaartegoeden had op Nederlandse en buitenlandse bankrekeningen en dat hij eigenaar was van twee woningen: één in Nederland die hij verhuurde en een tweede woning in het buitenland. X verbleef op het woonadres van zijn (ex-)vriendin Y en hun kinderen. In zijn aangiften IB paste X de eigenwoningregeling toe op de (verhuurde) woning in Nederland en gaf geen buitenlands vermogen op. Naar aanleiding van het onderzoek van DWI stelde de inspecteur dat X niet de vereiste aangifte had gedaan. Hij legde over 2011-2014 navorderingsaanslagen op met 25% boete. Daarbij schrapte hij de hypotheekrenteaftrek in box I voor de woning in Nederland en corrigeerde hij het box III-vermogen met de spaartegoeden en de twee woningen. De op de verhuurde woning rustende hypotheekschuld bracht hij als schuld in mindering op het box III-vermogen. X ging in beroep en stelde dat hij bij zijn toenmalige vriendin woonde, maar zijn hoofdverblijf had in zijn woning in Nederland. Deze woning was niet verhuurd, maar er woonden illegalen die alleen voor gas, water en licht betaalden. Hof Amsterdam besliste dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet-doen van de vereiste aangifte. Uit het proces-verbaal van DWI en de daarin opgenomen observaties, vaststellingen en getuigenverklaringen bleek dat de woning in Nederland X niet als hoofdverblijf ter beschikking had gestaan, omdat hij feitelijk verbleef op het adres van zijn (toenmalige) vriendin en zijn kinderen. X had zijn woning daarom ten onrechte aangemerkt als eigen woning en ten onrechte negatieve inkomsten uit eigen woning in aftrek gebracht. Hierdoor was sprake van een gebrek in de aangiften dat ertoe had geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel in absolute zin als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting, waarvan X zich ten tijde van het doen van de aangiften bewust was geweest of bewust had moeten zijn. De te weinig geheven IB/PVV bedroeg elk jaar meer dan € 3.700, terwijl de volgens de aangiften (vóór verrekening van loonheffing) verschuldigde IB/PVV 60% bedroeg (2011) van de werkelijk verschuldigde belasting of minder (2012 tot en met 2014), waardoor ook relatief aanzienlijke bedragen aan IB/PVV (vanwege te hoge teruggaven na verrekening van loonheffing) niet waren geheven. Volgens het Hof had de inspecteur de navorderingsaanslagen niet te hoog vastgesteld. De door de inspecteur gebruikte gegevens konden volgens het Hof worden geaccepteerd als basis voor de redelijke schatting, omdat hij als waarde voor de woning was uitgegaan van de door X opgegeven waarde, de waarde van de buitenlandse woning was gebaseerd op een taxatierapport van een met de lokale markt bekende deskundige en voor de banktegoeden was afgegaan op door X in november 2014 afgelegde verklaring dat deze € 100.000 bedroegen. X had volgens het Hof niet het verzwaarde (tegen)bewijs geleverd dat de gebruikte gegevens of de schatting onjuist waren. Het Hof handhaafde tot slot ook de vergrijpboeten.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.