Van ouders verkregen bloot eigendom Franse woning in box III belast

Datum: 7 november 2019

De Française X was gehuwd en woonde in Nederland. Zij had bij notariële akte van 6 juni 2011 van haar ouders de bloot eigendom verkregen van een woning in Frankrijk onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik van haar vader en moeder. De woning had op het moment van de verkrijging een waarde van € 200.000. Mevrouw X vermeldde in haar aangiften IB over 2013 tot en met 2016 de bloot eigendom van de woning in box III voor € 200.000. De inspecteur volgde de aangiften. In mei 2017 verzocht zij de aanslagen IB 2013, 2014 en 2015 ambtshalve te verminderen omdat de woning volgens haar niet tot haar box III-vermogen behoorde. De inspecteur wees dat verzoek aanvankelijk af, maar verminderde in de bezwaarfase voor de jaren 2014 en 2015 de waarde van het bloot eigendom met 50% naar € 100.000 vanwege het overlijden van de vader in 2012. Nadat mevrouw X bezwaar had gemaakt tegen de aanslag IB 2016 stelde de inspecteur de waarde van het bloot eigendom ook voor dat jaar vast op € 100.000. Mevrouw X ging in beroep en stelde dat de akte van 6 juni 2011 naar zijn aard, inhoud en referentie aan het Franse erfrecht en de notariële opmaak een uiterste wilsbeschikking was, die niet was gewijzigd of herroepen was. Daarmee was volgens mevrouw X voldaan aan alle voorwaarden van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001, zodat de woning niet tot haar box III-vermogen kon worden gerekend. Rechtbank Den Haag stelde vast dat naar Frans recht ten titel van “vervroegde erfdeling” was verkregen. Omdat de verdeling bij leven had plaatsgevonden, lag aan de verkrijging een schenking ten grondslag en geen uiterste wilsbeschikking. Er waren volgens de Rechtbank geen aanwijzingen dat naar Frans (erf)recht zowel in geval van erfopvolging krachtens de wet als in geval van erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking, niet zou moeten worden aangesloten bij het moment van overlijden van de erflater. In de akte van 6 juni 2011 werd bovendien consequent gesproken over “schenker” en “begiftigden”. Daaraan deed niet af dat mevrouw X de vermoedelijke erfgenaam was en dat de schenking was bedoeld als voorschot op de erfenis. Ook het latere overlijden van haar vader had daarop geen invloed. De beoordeling van de verkrijging moest volgens de Rechtbank plaatsvinden op het moment van de verkrijging. Een latere gebeurtenis maakte niet dat de verkrijging onder andere omstandigheden had plaatsgevonden en bracht daaraan geen verandering in. De uitzonderling van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 was volgens de Rechtbank niet van toepassing en de bloot eigendom van de woning behoorde voor € 200.000 tot de rendementsgrondslag van box III.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.