Uitkeringen uit stichting overleden man niet belast, maar stichting wél APV

Datum: 5 november 2019

Mevrouw X was gehuwd geweest met Y, die in 1984 was overleden. Y had in 1978 bij testament stichting A opgericht en deze stichting als enig erfgenaam benoemd. A had als doel het bieden van geldelijke hulp aan degenen met de naam Y of afstammelingen daarvan. Mevrouw X kreeg bij legaat het vruchtgebruik van de voormalige echtelijke woning en van de helft van de nalatenschap. Naast de opbrengst van het vruchtgebruik ontving mevrouw X in de jaren 2011-2014 van A ook uitkeringen die varieerden van € 26.954 in 2011 tot € 57.209 in 2014. De inspecteur belastte de bedragen als periodieke uitkeringen. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland was het met mevrouw X eens dat zij geen juridisch afdwingbaar recht op periodieke uitkeringen had, dat vereist was om de uitkeringen als periodieke uitkeringen te kunnen belasten. Mevrouw X was niet benoemd tot (enige) begunstigde of gerechtigde tot het vermogen van A. Uit de statuten van A bleek dat iedereen die de naam Y droeg of daarvan afstamde, in aanmerking kwam voor geldelijke hulp. Bovendien hadden in geval van overlijden van mevrouw X de rechthebbenden op haar nalatenschap geen enkele aanspraak op het vermogen van A. Het bestuur van A had een discretionaire bevoegdheid ten aanzien van de aanwending van het vermogen. Hieraan deed volgens de Rechtbank niet af dat feitelijk door A tot op heden alleen uitkeringen aan mevrouw X waren gedaan, omdat voor de beoordeling van de vraag of sprake was van belastbare periodieke uitkeringen de juridische werkelijkheid doorslaggevend was. Mevrouw X en de inspecteur waren het er vervolgens wel over eens dat het vermogen van A op grond van artikel 2:14a Wet IB 2001 aan haar moest worden toegerekend, omdat de bezittingen en schulden, opbrengsten en uitgaven van A waren aan te merken als een afgezonderd particulier vermogen (APV).

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.