Ontvanger handelde niet onrechtmatig bij invordering van te hoog geschatte KB Lux-navorderingen

Datum: 22 oktober 2019

Nadat mevrouw X was geïdentificeerd als houder van twee niet eerder opgegeven bankrekeningen bij de KB Lux, vroeg de Belastingdienst haar die tegoeden alsnog op te geven. Mevrouw X deed dat niet, waarna de inspecteur 19 navorderingsaanslagen IB/VB oplegde over de jaren 1991 tot en met 2000 met boeten. Mevrouw X ging in beroep bij Hof Amsterdam dat de navorderingsaanslagen gedeeltelijk verminderde, waarna mevrouw X cassatie instelde. De Hoge Raad handhaafde de navorderingsaanslagen voor zover het de schattingen betrof en verwees de zaken voor de boeten naar Hof Den Haag. Dat Hof deed uitspraak en na een tweede cassatieberoep verwees de Hoge Raad de zaken naar Hof Den Bosch voor een verdere behandeling. Bij Hof Den Bosch kwamen mevrouw X en de inspecteur tot overeenstemming over de hoogte van de boeten. In juni 2014 verstrekte mevrouw X alsnog informatie over het verloop van haar bankrekeningen bij KB Lux over de jaren 1996 tot en met 2012. De werkelijke tegoeden bij KB Lux waren lager dan schattingen van de inspecteur. Mevrouw X verzocht de inspecteur om ambtshalve vermindering van de aanslagen, maar de inspecteur wees dit af. Mevrouw X verzocht de ontvanger vervolgens om de aanslagen kwijt te schelden of buiten invordering te stellen voor zover zij betrekking hadden op méér dan de werkelijke c.q. materieel verschuldigde bedragen. Volgens mevrouw X waren de opgelegde navorderingsaanslagen ongeveer viermaal hoger dan de aanslagen die zouden zijn opgelegd als de Belastingdienst de tegoeden op de bankrekeningen destijds had gekend. De ontvanger wees dit verzoek af en de Directeur van de Belastingdienst verwierp ook haar beroep tegen de afwijzende beslissing. Mevrouw X wendde zich tot de civiele rechter en stelde dat de ontvanger onrechtmatig had gehandeld door dwangbevelen ten uitvoer te leggen voor de invordering van aanslagen waarvan de materiële juistheid minst genomen twijfelachtig was. De civiele kamer van Rechtbank Midden-Nederland heeft haar verzet ongegrond verklaard. De Rechtbank wees op een uitspraak van de civiele kamer van Hof Den Haag van 7 juni 2017. De beslissing van het Hof, dat rekening moest worden gehouden met de proceshouding van de belanghebbende, gold volgens de Rechtbank niet alleen voor de situatie dat om een (ambtshalve) vermindering van aanslagen werd verzocht, maar ook bij de beantwoording van de vraag of de door de ontvanger genomen invorderingsmaatregelen in strijd waren met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Als die belastingplichtige weigerde aan zijn informatieplicht te voldoen, dan waren de door Belastingdienst geschatte aanslagen aan te merken als de materieel verschuldigde aanslagen, zeker als daarover tot en met de Hoge Raad was geprocedeerd. Deze materiële verschuldigdheid veranderde niet als de belastingplichtige later tot inkeer kwam en alsnog de vereiste informatie aan de Belastingdienst verstrekte. De informatieverstrekking was dan simpelweg te laat. Dat de eerder opgelegde aanslagen (waarschijnlijk) veel lager zouden zijn uitgevallen als die informatie eerder aan de Belastingdienst was gegeven, leidde niet tot een andere conclusie. Als de situatie anders was, dan zou immers ook sprake zijn van een "loterij zonder nieten".

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.