Borgstellingsverlies bij niet verkregen a.b. niet aftrekbaar

Datum: 21 oktober 2019

X hield sinds 3 december 2007 4,99% van de aandelen in BV A. In een e-mail van 28 december 2009 schreef de directeur-grootaandeelhouder Y van BV A aan X dat hij ervan overtuigd was dat X in staat was om BV A verder te brengen naar groei en continuïteit en of hij een borgstelling van € 50.000 wilde accepteren. Als X dat wilde, was Y bereid 5% van de aandelen BV A aan X te verkopen voor € 2.500. Betaling zou plaatsvinden door te verrekenen met tantièmes. Op 11 februari 2011 stelde X zicht tegenover de bank borg voor schulden van BV A met een maximum van € 25.000. Toen BV A op 16 oktober 2012 failliet ging, werd X door de bank aangesproken voor € 25.000. X betaalde en bracht dat bedrag in zijn aangifte IB 2014 in aftrek als verlies uit terbeschikkingstelling (tbs). De inspecteur weigerde de aftrek omdat X geen aanmerkelijk belang (a.b.) had. Volgens de inspecteur was sprake geweest van een aanbod tot koop van aandelen, maar waren de aandelen nooit geleverd. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland besliste dat aan X na diverse voorafgaande besprekingen in de e-mail van 28 december 2009 een aanbod was gedaan, dat door X mondeling was aanvaard. De Rechtbank besliste echter dat X met de aanvaarding van het aanbod in dit mailbericht geen koopoptie op 5% van de aandelen van BV A had verkregen. Een koopoptie was een onvoorwaardelijk recht dat, door uitoefening daarvan, een koopovereenkomst tot stand deed komen, onder de in de optie uitgedrukte voorwaarden. In de verlening van een koopoptie lag dus een bindend aanbod (tot verkoop) besloten. De koopovereenkomst kwam door een enkele verklaring van de gerechtigde tot stand. De koopoptie op aandelen hield daarbij meer in het bijzonder het recht in om een aandeel voor een bepaalde prijs te kopen. De Rechtbank vond het aanbod in de e-mail een aanbod tot koop, en geen aanbod tot het verkrijgen van een (koop)optie op aandelen. Er moesten namelijk geen nadere voorwaarden worden voldaan voordat de koopovereenkomst tot stand zou komen. Zo volgde uit de e-mail van 28 december 2009 en de verklaring van X op de zitting niet dat er afspraken waren gemaakt over de looptijd, wat volgens de Rechtbank, zeker in het geval van optierechten op aandelen, van wezenlijk belang was. Er was daarmee geen sprake van een koopoptie waarin een bindend aanbod tot koop was besloten, maar in directe zin van een aanbod tot verkoop. Bij de mondelinge aanvaarding door X was al aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldige koopovereenkomst voldaan. Civielrechtelijk was op dat moment volgens de Rechtbank een koopovereenkomst tot stand gekomen. Dat Y uiteindelijk niet aan zijn leveringsverplichting had voldaan deed aan de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst niet af volgens de Rechtbank. Omdat de totstandkoming van de koopovereenkomst noch de juridische noch de economische eigendom van de aandelen aan X was overgedragen, was de waardeontwikkeling van de aandelen X niet op enig moment aangegaan. De Rechtbank besliste dat X geen a.b.-houder was in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001 zodat hij geen tbs-verlies in aftrek kon brengen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.