Medebelanghebbendebeschikking WOZ voor erfgename

Datum: 18 oktober 2019

In 2012 werd mevrouw X door het overlijden van haar vader als erfgenaam mede-eigenaar van drie panden. Haar broer was aangewezen als executeur en maakte "namens de erven" bezwaar tegen de aan hun vader afgegeven WOZ-beschikkingen voor 2012. Het bezwaar voor het jaar 2012 werd gegrond verklaard. In 2016 vroeg mevrouw X de gemeente om afgifte van een beschikking als bedoeld in artikel 26 Wet WOZ voor het jaar 2012. De gemeente wees het verzoek af. Hof Den Bosch was het net als Rechtbank Limburg met de gemeente eens dat mevrouw X geen rechtsingang had. Mevrouw X ging met succes in cassatie. De Hoge Raad besliste dat artikel 26, lid 1, letter a, Wet WOZ een nieuwe genotsgerechtigde een rechtsingang bood met betrekking tot de ten aanzien van hem geldende waarde. Daartoe nam de gemeente, nadat daarom was verzocht, opnieuw een beschikking maar nu ten aanzien van die nieuwe genotsgerechtigde. De beschikking hield een nieuwe waardevaststelling in, zoals de Hoge Raad op 21 juni 2013 had beslist. Hierbij was geen onderscheid gemaakt tussen het geval waarin de nieuwe gebruiker of genotsgerechtigde enig rechtsopvolger was van degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot had van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en het geval waarin de nieuwe genotsgerechtigde door erfopvolging medegerechtigd was geworden tot die eigendom dan wel dat bezit of beperkt recht. Ook dit laatste geval werd bestreken door artikel 26, lid 1, letter a, Wet WOZ. Dit betekende dat mevrouw X met betrekking tot de onroerende zaken in 2012 als erfgenaam de hoedanigheid van genotsgerechtigde in de zin van artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ had verkregen en op die grond op de voet van artikel 26, lid 1, letter a, Wet WOZ met betrekking tot de onroerende zaken voor het jaar 2012 op verzoek in aanmerking kwam voor op haar naam gestelde voor bezwaar vatbare WOZ-beschikkingen. Daaraan deed niet aan af dat de executeur onder de vermelding "namens de erven" bezwaar had gemaakt tegen ten name van de erflater voor het jaar 2012 gegeven WOZ beschikkingen. De executeur had tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen. Hij vertegenwoordigde gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. De waardevaststelling van een WOZ-beschikking was echter niet alleen van invloed op de waarde van de goederen en de omvang van de schulden van de nalatenschap, maar ook op de belastingheffing ten aanzien van de persoon die als erfgenaam (mede)gerechtigd was tot onroerende zaken die tot de nalatenschap behoren. De met artikel 26 Wet WOZ beoogde rechtsbescherming zou volgens de Hoge Raad onvoldoende worden gediend als mevrouw X niet meer op grond van artikel 26, lid 1, letter a, Wet WOZ zou kunnen opkomen tegen de belastingheffing ten aanzien van haar, die uit de WOZ-beschikkingen voortvloeide, nadat de executeur op de voet van artikel 22 Wet WOZ onder de vermelding "namens de erven" bezwaar had gemaakt tegen ten name van de erflater voor het jaar 2012 gegeven WOZ beschikkingen en de uitspraak daarover onherroepelijk was geworden. Daarbij was ook van belang dat uit de rechtsverhouding tussen de executeur en de erfgenamen niet zonder meer voortvloeide dat de executeur ook bevoegd was namens mevrouw X bezwaar te maken tegen de WOZ-beschikkingen voor zover de waardevaststelling verdergaande betekenis had voor de belastingheffing ten aanzien van haar, dan de belastingheffing die betrekking had op haar aandeel in de goederen en schulden van de nalatenschap. De Hoge Raad deed de zaak zelf af. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van mevrouw X gegrond en droeg de gemeente Meerssen op alsnog de door mevrouw X gevraagde beschikkingen als bedoeld in artikel 26 Wet WOZ te geven.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.